schrijver en dichter

Auteur: henrysepers.nl (Pagina 2 van 24)

Killing Fields

Op onze laatste dag in Cambodja bezochten we het Genocide Museum in Phnom Penh en de Killing Fields, net buiten de stad. Martelkamers, schokkende foto’s, resten kleding, stapels schedels en botten. In de periode 1975-1979 heeft de Rode Khmer zo ongeveer een derde van de bevolking van Cambodja uitgeroeid. Pol Pot wilde een staat die door landarbeiders werd geleid. Schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, leraren: iedereen die niet met zijn handen werkte was verdacht. De bevolking van Phnom Penh juichte toen de Rode Khmer binnentrok, maar de euforie was van korte duur: een paar dagen later werd iedereen de stad uitgejaagd, want stedelingen hoorden ook bij de vijand. Zelfs het dragen van een bril kon je al letterlijk de kop kosten, want dan was je een intellectueel. Populisme is van alle tijden en kan zeer kwaadaardige vormen aannemen. 
Ja, als je op deze helse plaatsen rondloopt, ga je vanzelf verbanden leggen. Ik heb Auschwitz bezocht, Bergen Belsen. Allemaal herdenkingsplaatsen van het kwaad. Serene, ingetogen plekken waar wij mensen rekenschap afleggen van onze eigen onmenselijkheid. 
Een uitspraak van Pol Pot: als je de boom wil vernietigen, moet je die met wortel en al uitrukken. Als er een ‘verrader’ in een familie zit, moet je de hele familie doden, tot de kinderen aan toe. Een uitspraak van de Israëlische president Herzog: er zijn geen onschuldige Palestijnen. Intussen zijn er in Gaza duizenden kinderen gedood.
De Killing Fields is een park geworden. Er lopen paden doorheen. Er staat een boom waartegen babyschedels kapot werden geslagen. Het is een mooie boom. Er komt altijd een moment van herdenken. Er zullen altijd mensen zijn die de namen verzamelen van hen die ontmenselijkt werden. In Phnom Penh hangen honderden foto’s van slachtoffers. Op het Holocaustmonument in Amsterdam staan duizenden namen. Eens zal er in Gaza een museum verrijzen, een stille plek waar de namen genoemd worden van de kinderen die zijn vermoord. Je moet entree betalen, maar die is inclusief audiotour. Er komt een tijd dat ook deze geschiedenis wordt samengevat en je via je headset de verhalen kunt horen van degenen die er getuige van zijn geweest.  
En intussen draait de wereld door en ontstaan er nieuwe rotte plekken waar de stilte nog niet is ingetreden.

Vaste gewoontes

Kep, Cambodja

Veertien dagen ben ik in Kep om te schrijven. 
Mijn ochtend begint met een wandeling langs zee.
De vissersboten liggen aangemeerd aan de pier.
Vrouwen met hoeden die aan zuidwesters doen denken
maar dan kleurrijker, veel kleurrijker 
staan met hun scooters en manden klaar voor de vis.
Mannen boeten netten. Mannen lopen tot hun middel in zee.
Mannen meren hun boten aan. De mannen zijn opmerkelijk stil.
De vrouwen stoten scherpe klanken uit, dat is hun taal.
De meisjes van de koffietent vegen het terras aan.
Uit de luidsprekers klinkt muziek uit de jaren zeventig.
Ik knik naar het meisje bij wie ik later koffie zal drinken.
Ze lacht naar me want ze is aan me gewend.
Na een paar honderd meter passeer ik een massagesalon.
Ik heb nog nooit gezien dat er iemand werd gemasseerd.
De masseuse zit wel elke ochtend, en middag, en avond te wachten
op klanten.

Als ik terug ben, neem ik plaats achter een bureau.
Airco aan, fles water bij de hand.
Ik ga aan het werk en vraag me af of de drukkende atmosfeer
van invloed zal zijn op mijn verhaal. Ik denk van wel.
Soms zijn de wolken zo zwaar dat ik moet gaan liggen.
Ik begeef me in mijn verhaal en kom de moeder tegen,
de Vrouw, de zusters, de vader. Ze leven in mijn hoofd
en praten tegen me. Van de tropen weten ze niets.
Ze leven in een gematigd klimaat met gematigde gevoelens
maar als ik hier lang ben, weet ik niet of dat zo blijft.

Na een uur of twee ga ik koffiedrinken. Er zitten drie meisjes
op mij te wachten. De ene neemt mijn bestelling op,
de andere maakt mijn koffie, de derde brengt de koffie.
De ene is het Aziatische zusje van Georgina Verbaan. 
Ze lacht als een meisje met een beugel maar
ze heeft geen beugel.

Ik schrijf verder. Mijn jeugd staat in de kamer,
maar ik wil mijn jeugd niet zo concreet, ik vervorm haar,
ik bewerk haar, ik schud mijn herinneringen door elkaar
en meng ze met verzinsels, oneindig veel verzinsels.
Een onversneden jeugd is niet te zuipen.
Mijn moeder wandelt door de kamer
maar ze is mij moeder niet. Ik heb haar gemaakt al denkt zij
dat het andersom is. Ik regisseer de wereld in de kleine ruimte.
Ik dans met de personages. Soms is het een dance macabre.

Ik lunch in restaurant Kimley. Spaghetti met krab. 
De bediening draagt mondkapjes. In zee slaat een jongen 
de golven stuk om de vissen te lokken. Buiten wachten
de tuktuk-rijders. Kimley is het enige restaurant met klanten.
Er zijn hier wel tien restaurants op een rij.
Overal is personeel, alleen in Kimley zijn er klanten.
Buiten wachten de tuktuk-rijders eindeloos.
Ze kijken op hun mobieltje. Er beweegt in hun leven
niets behalve op hun mobieltje. 

Er gebeurt hier veel dat is omringd door stilte.
De verkopers, de vissers, de scooterrijders, de boten,
ze schuiven door het decor en breken haast nooit de stilte.
Ze vormen een cadans in mijn hoofd, een eindeloze cadans,
en als ik schrijf laat ik mij wiegen op hun bewegen.

Schrijven in Kep

Woensdag zijn we aangekomen in Kep, aan de zuidkust van Cambodja, vlak bij de grens met Vietnam. We blijven daar twee weken en ik ga er verder werken aan mijn nieuwe roman, voorlopige titel: Moeder is een ding. In een exotische omgeving leg ik de reis terug naar binnen af en ik heb al gemerkt dat het me goed afgaat. Geen reisangst.
Ons huisje ligt in een resort bij een zesbaansweg. Dat klinkt onheilspellend, maar het is hier rustig genoeg. Af en toe komt er een tuktuk voorbij, er flaneren mensen over de brede strook asfalt. Het is hier eeuwig autoloze zondag. De weg is hier waarschijnlijk aangelegd in opdracht van een megalomane bestuurder. Of van de koning, want die heeft op de berg achter ons een zomerverblijf. Er is hier ook een groot plein waar niemand loopt. Er zijn talloze restaurants zonder klanten. Op een pier staat een reusachtig beeld van een krab. Op de crabmarket verderop wordt af en toe een plukje toeristen losgelaten. 
 ’s Avonds horen we de gekko, want die reist met ons mee.
’s Ochtends maak ik mijn vaste wandeling. Niet langs de Amstel, zoals thuis, maar langs de oceaan. In de verte eilanden. In het haventje houten vissersbootjes. Mannen zijn netten aan het boeten.  Vrouwen staan met grote manden klaar om de vis op te halen. Jongens staan tot aan hun borst in het water te vissen met een hengel.
Uiteindelijk woon je vooral in jezelf. Als ik terug ben bij het huisje, met eromheen de tropische tuin, en op de veranda of binnen ga zitten werken, keer ik in no time terug naar de plaatsen van mijn jeugd. En ga op zoek naar oningevulde plekken van mijn verbeelding.

Van Lijfeigene tot kunstenaar

De jonge Cambodjaanse kunstenaars Seyha Hour, Hak Bor, Chanpenh Nget en Chankrim Mil zijn in hun jeugd door hun ouders verhuurd aan koppelbazen die hen te werk stelden op plantages in Thailand. Feitelijk was het een vorm van slavernij. Ze waren toen rond de twaalf, dertien jaar oud. Na afloop werden ze, getraumatiseerd, door de Thaise overheid terug over de grens gezet. Daar zijn ze opgevangen door mensen van een NGO, die hen naar de stad Battambang brachten. Ze waren natuurlijk niet de enigen. Hun lot deelden ze met dat van tienduizenden andere kinderen. 
De NGO’ers zochten naar manieren om hen te leren omgaan met hun trauma’s. Verkocht door hun ouders, alleen in een ander land, uitgebuit, afgebeuld. Een van die manieren was om ze te laten schilderen. Deze vier jongens bleken al gauw te beschikken over bijzondere talenten. We hebben met hun werk kennis gemaakt in de Romcheik5 Artspace in Battambang. De Fransman Alain Troulet heeft hen daar begeleid. Ze werken en exposeren nu in de galerie. Hun schilderijen zijn ook al te zien geweest in Phnom Penh, Parijs en New York. Ze zijn niet geïnteresseerd in roem, verschijnen het liefst niet op de openingen van hun exposities, trekken zich bij voorkeur terug in hun atelier om te werken. Ze kunnen zich dat permitteren omdat het geld voor hun verkochte schilderijen in een soort fonds is ondergebracht waaruit ze een maandsalaris uitgekeerd krijgen van zo’n 300 dollar per maand. Dat is genoeg om hun gezin van te onderhouden.
Een van de schilders, Chankrim Mil, miste bijna een opening omdat zijn ouders hem op zestienjarige leeftijd opnieuw hadden verkocht. Hij zou weer een jaar in Thailand moeten werken, wat het gezin 1500 dollar zou opleveren. Alain Troulet heeft toen drie van zijn schilderijen gekocht voor 500 dollar per stuk en met dat geld kon de koppelbaas op het laatste moment nog worden afgekocht. Je zou denken: waarom zou je je ouders gehoorzamen als ze zoiets verschrikkelijks van je vragen? Maar Chankrim wist dat ze geen keus hadden, dat het de enige manier was voor het gezin om te overleven.
We ontmoetten Troulet in de galerie. Toen we in de eerste zaal rondliepen, werden we hevig geraakt door de schilderijen die we zagen. Troulet merkte dat, kwam naar ons toe, en vertelde gedreven en enthousiast over ‘zijn’ kunstenaars en de achtergronden van hun werk. Wat ons meteen opviel was de volstrekte eigenzinnigheid van deze artiesten. Ze schilderden zonder last, waren zich niet bewust van enige traditie, leden niet onder de grootste kwalen van veel van de ‘mainstream’-kunst: het cerebrale, het overbewuste, conceptuele, bloedeloze. Dit was werk dat direct vanuit het lijf, via de arm en de kwast, op het doek was gezet en daardoor als muziek ons hart bereikte. Dat effect kwam niet voort uit hun levensverhaal: de schilderijen hadden ons al geraakt voordat ons dat verteld was. We mochten geen foto’s maken, dus ik kan niks laten zien. Misschien is dat maar goed ook, want veel schilderijen bevatten te veel bijzondere details om tot hun recht te komen in een klein plaatje.
Ik kan wel proberen iets over het werk te vertellen. Bij voorbeeld over dat van Seyha Hour. Zijn stijl lijkt in eerste oogopslag naïef: eenvoudige figuren, weinig perspectief. Af en toe moest ik aan Henri le douanier Rousseau denken. Tot je naar de details gaat kijken. Lijven die naar onderen toe steeds minder bevleesd zijn tot van de onderbenen en voeten alleen de botjes over zijn. Mensen die een infuus met zich meedragen. Een scène van een ogenschijnlijk gewone Cambodjaanse markt waarin, als je goed kijkt, je de meest gruwelijke dingen ziet gebeuren. Wij, als overbewuste kunstliefhebbers, zagen sterke overeenkomsten met het werk van Jeroen Bosch. Troulet bleek dat ook te hebben gezien, en nam Hour mee naar het Prado in Madrid om hem de Tuin der Lusten te tonen. ‘Maar waarom,’ zei Hour, ‘heeft deze man mijn werk nagemaakt?’    
Een ongelukkige jeugd is niet alleen een goudmijn voor een schrijver, ook voor een schilder, hoe cynisch dat in dit geval ook mag klinken. Hour laat dat onder andere zien door een zeer treurige figuur neer te zetten, met een veel te groot, neerhangend hoofd, waaraan touwen bungelen met als gewichten grote diamanten. Het is mooi om kunst te kunnen maken, maar sommigen hebben er wel een hoge prijs voor moeten betalen. Wat mij betreft verdienen Hour, Bor, Nget en Mil een grote tentoonstelling in het Stedelijk. Laat de conservatoren eens gaan kijken in Battambang, ze zullen versteld staan. 

Van het grijze en het zoete

Een beetje kan ik het nieuws nog wel volgen in China. De NOS en alle kranten stuiten op de Chinese digitale muur, alleen nu.nl weet er doorheen te breken. Daar las ik twee wonderlijke berichten. Het eerste: Bhutan wil een nieuwe stad bouwen, gebaseerd op de principes van mindfulness. Het moet buitenlandse, met name westerse, gasten trekken. Thailand probeert het op een andere manier: de overheid wil het toerisme bevorderen door extra feestdagen te verzinnen. 
Ik wandelde in Suzhou en Tongli, steden die zo’n honderd kilometer van Sjanghai liggen, door Chinese tuinen die de sfeer van de oude dynastieën moeten oproepen, met mistmachines die nevels over de vijvers laten trekken, kunstmatige rotsen en bonsaiboompjes. Je loopt door een driedimensionale Chinese pentekening. Tientallen meisjes laten zich er fotograferen, gekleed in traditionele kostuums die je kan huren bij een van de vele winkeltjes rond de parken. Zodra de betovering is weggeëbd, zitten ze verveeld in een hoekje Tiktokfilmpjes te kijken. 
Het begint een thema van deze reis te worden: de wereld wordt zich overbewust van zichzelf. De toerist eist een deel op van de tradities van het land dat hij bezoekt en de mensen die er wonen bieden hem dat hapklaar aan. Uiteindelijk gaan ze zelf in de gestripte versie van hun geschiedenis geloven. Fictie neemt de plaats in van de doorleefde werkelijkheid. Bezoekers en autochtonen vinden elkaar in een gezamenlijk narratief.
Of is dit maar schijn? Laat ik me als bezoeker voor de gek houden en houdt men een andere werkelijkheid voor mij verborgen? Is er een stille kracht in de landen die ik bezoek, ontgaat mij van alles omdat ik er het zintuig voor mis, zoals er geluiden bestaan die zo hoog of laag zijn dat ik ze niet kan horen?
Als je net in China bent, dat wil zeggen: in het kleine stukje China dat Sjanghai heet, krijg je de indruk dat het leven er niet zoveel verschilt van dat in bij voorbeeld Amsterdam. Winkelstraten, mensen die in de metro op hun mobieltje staren, wandelaars langs de rivier, hippe wijken in oude industriële buurten. De mensen hier proberen, zoals overal elders, gewoon een zo aangenaam mogelijk te leven te leiden, zonder te veel gedoe.
Pas langzaam doemen de verschillen op, als de contouren van voorwerpen in een donkere kamer als je pupillen nog aan het duister moeten wennen. Wat in Sjanghai opvalt is de zoetheid van de kleuren. ’s Avonds lijkt de skyline van snoepgoed. Snoepgoed dat in de grote winkelstraat, de Nanjingroad, letterlijk overal is te vinden. De kleuren zijn hardroze, geel, zoetekoeksdozeke blauw. Als ze geluiden waren, had ik scherpe kreten gehoord. Zijn de kleuren onttrokken aan de gebouwen, de torenhoge grijze flats waarin veel van de 26 miljoen inwoners zijn opgestapeld, het dystopische  decor waar je langsrijdt als je met de highspeedtrein de stad verlaat? 
De vriendelijkheid van de mensen is overweldigend. Ze lopen rustig honderden meters met je mee om je de weg te wijzen. Stappen uit de metro om jou op de goede lijn te zetten. Willen voortdurend met je op de foto, omdat je voor hen ook een bezienswaardigheid bent, met je blauwe ogen en rare manier van eten. Daar tegenover staat de controlerende overheid. Overal hangen camera’s, als we met de trein gaan moeten we drie of vier keer ons paspoort laten zien, wie waarheen reist wordt door de talloze beveiligers en beambten voor altijd in computers vastgelegd. Het is voor je veiligheid, is het verhaal. Sjanghai is de veiligste en schoonste stad van de wereld. Zelfs de taxichauffeurs zijn er eerlijk. Maar mij, als westerling, benauwde het dat al mijn gangen werden nagegaan. Dat ik zelfs mijn identiteit moest aantonen toen ik het Sjanghaimuseum in wilde. 
 In het museum voor moderne kunst hoefde dat niet. Daar was een tentoonstelling van Marina Ambramovic. Ja, dat kan in Sjanghai. Maar ook het bezoek daaraan was bijna een cultuurshock. Terwijl in de grote expositie afgelopen jaar in het Stedelijk, vooral grenzen werden overschreden, de kunstenares met een scheermesje haar armen opensneed, je met ingehouden buik langs blote mensen kon schuiven – er werd geschreeuwd, gehuild, gescholden – toonde Ambramovic in Sjanghai een andere kant van zichzelf. De zalen van het museum waren omgetoverd in dromerige, verstilde ruimtes. Een meisje pakt je bij de hand en leidt je naar een bad vol houtsnippers. Ze beduidt je erin te gaan liggen en je ogen te sluiten. En als je dat doet, strooit ze handenvol snippers over je lichaam, zodat je huid begint te tintelen.   Zoete kleuren, trieste grijsheid, verstilde ruimtes, ongelooflijk vriendelijke mensen, controlerende beambten die zinloze eisen stellen. Veiligheid waarvoor je vrijheid moet opofferen. China is intrigerend. Het is een verhaal waarvan ik nog weinig begrijp.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2025 Henry Sepers

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

error: Content is protected !!