poëzie proza video

Auteur: henrysepers.nl (Pagina 3 van 20)

Brief aan Jan van Mersbergen

Beste Jan van Mersbergen,

Dat is een stevig stuk dat je over mij en mijn nieuwe roman hebt geschreven als reactie op mijn artikel op Tzum. Ik moet toegeven dat het me heeft geraakt. Niet omdat ik vind dat je gelijk hebt, maar omdat er zoveel agressie uit spreekt. Vanwaar die boosheid? We kennen elkaar niet persoonlijk, hebben elkaar nooit ontmoet. Wil je je eigen positie benadrukken, als auteur die meer succes heeft dan ik? Of heb je nobeler motieven: moet de literatuur gezuiverd worden van ‘dit soort schrijvers’, mensen als ik die het wagen een roman te publiceren buiten de erkende uitgeverij om? Natuurlijk is het mooi dat je de kwaliteit wilt bewaken, maar wees dan wel eerlijk.

Je begint te zeggen dat ik ‘ooit (ben) uitgegeven door De Arbeiderspers, een paar romans’. Dat klinkt denigrerend, en dat is eigenlijk de toon van je hele stuk. In werkelijkheid zijn er in de twintig jaar dat ik bij AP publiceerde, vijf romans en twee dichtbundels verschenen. Een teken dat de uitgeverij in me geloofde. Ik heb in die jaren met uitstekende redacteuren samengewerkt en natuurlijk stond ik open voor kritiek.

Je bent ook gaan googelen om een stokoude koe uit de sloot te halen. Een als recensie vermomde advertentie in Vrij Nederland van 1997. Dit was op het randje, dat is waar. Het idee kwam alleen niet van mij, maar van mijn uitgever. Die was gefrustreerd vanwege het gebrek aan aandacht voor mijn roman Bedachte stad. Misschien had ik hem tegen moeten houden, maar ik was, ik geef het toe, vooral blij met zijn steun en zijn geloof in de kwaliteit van mijn werk.
Dan word je echt vals. Je knoopt citaten uit mijn Tzum-artikel aan elkaar op een manier waardoor een raar beeld  ontstaat en haalt me ook nog eens verkeerd aan. Niet mijn uitgever heeft gezegd dat hij alleen nog in zee ging met debutanten en Bekende Nederlanders, maar een literair agent. Dat is wat er staat. De uitgever parafraseer ik dan juist weer wel in de zin: ‘Het boek was goed, echt waar, maar de afdeling Verkoop zag er geen heil in,’ terwijl jij net doet of ik dat zelf zeg. Met dat citaat ga je vervolgens aan de haal, je maakt er meteen maar een running gag van. Grappig, maar je verdraait wel mijn woorden. Want geloof me, ik vind net als jij dat anderen moeten uitmaken of een werk geslaagd is of niet.
Je laatdunkende toon bereikt een hoogtepunt met polemische pareltjes als ‘dozen in de gang’ en ‘Geraniumsteeg’. Vooral met dat laatste wil je me kleineren en onder de gordel raken. Eigenlijk ga je nogal respectloos met me om.

Gelukkig neem je wel de moeite om mijn website te bezoeken, waar een fragment uit De aanwezigheid van Lara op staat. Maar meteen bij het eerste zinnetje ga je los. ‘Yves is al een eeuwigheid met Yvette.’ In jouw taal kun je blijkbaar een relatie niet zo aanduiden (x is met y). Nu woon ik in Amsterdam-Oost en misschien spreken we daar een ander dialect, maar hier is het uitstekend Nederlands. En dan dat ‘eeuwigheid’, dat mag ook niet. Het moet concreter. Twintig, dertig, vijftig jaar. Weet je dan niet dat ‘een eeuwigheid’ in het Nederlands de bijklank van verveling heeft? Zou het niet kunnen dat ik het woord om die reden gebruik?
Zo gaat het nog een tijdje door. Ik mag niet schrijven dat iemand een kat neemt. Dat moet ‘koopt’ zijn. Waarom? Omdat het zinnetje anders bij jou associaties met bestialiteit oproept? Ik geef les op een middelbare school en daar kijk ik altijd een beetje uit met het woord naaien. In een brugklas leidt dat al gauw tot gegniffel. Blijkbaar beschik jij nog steeds over de kinderlijke gave om dit soort dubbelzinnigheden onmiddellijk te detecteren.
En tja, dat je mijn personage met ‘die pipo’ aanduidt: je krijgt er beslist de lachers mee op je hand.

Serieuzer is je kritiek dat mijn proza te springerig, te weinig ingekleurd is. Zou het niet kunnen dat ik dit expres doe? Het fragment komt ergens uit het midden van het boek en betreft een fantasie van de hoofdpersoon. Hij projecteert zijn eigen obsessies op de bewoners van een klein Frans dorp en doet dat inderdaad met korte verhalen, geschreven in een met-grote-stappen-gauw-thuisstijl. Het zijn sprookjes. Concentraten van levensverhalen. Dat heeft een functie in deze roman. Jij kon dat niet weten, maar misschien moet je een boek ook niet afkraken op grond van slechts één fragment.

Ik wil je daarom uitnodigen om de hele roman te lezen. Doe dat dan wel op een onbevangen manier, niet met de vooringenomenheid waarmee je die paar bladzijden te lijf ging. Je kunt een gratis exemplaar bij me komen ophalen, daar doe ik niet moeilijk over.

Met hartelijke groet,

Henry Sepers

In eigen beheer

Bijna vijfentwintig jaar geleden ben ik gedebuteerd met mijn roman Het feest van de mollen. Mijn uitgever, De Arbeiderspers, had alles uit de kast gehaald om het boek te presenteren. Er kwam een heuse persmap en ik werd samen met twee andere debutanten (Rudy Dek en Paul Marijnissen) aan de wereld voorgesteld tijdens een ‘debutantenlunch’ in het Amsterdamse hotel Pulitzer. Er was een toespraak van Theodor Holman, de jonge reporter Matthijs van Nieuwkerk schreef er een stukje over in Het Parool, en ook Ischa Meijer stak zijn neus nog even om de deur.
Het boek kreeg redelijk wat aandacht, maar, helaas, de grote doorbraak bleef uit.
In de jaren daarna volgden nog vier romans (de laatste was De zondaars in 2005) en drie dichtbundels. De meest recente dichtbundel (Je zadelt een vlinder van 2015) kwam uit bij de nieuwe uitgeverij van oud-AP directeur Lex Jansen, alle andere titels verschenen bij De Arbeiderspers.
Toen was het plotseling afgelopen. AP wilde of kon mijn nieuwe boeken niet meer uitgeven. Nadat ik een vroege versie van De aanwezigheid van Lara naar mijn redacteur had gestuurd, kreeg ik een enthousiaste reactie terug. Even later volgde de teleurstelling: het boek was goed, echt waar, maar de afdeling Verkoop zag er geen heil in. Mijn werk was in de voorgaande jaren onvoldoende verkocht en men durfde een nieuwe publicatie niet aan. Boekhandels zouden het werk niet bestellen. Ook Je zadelt een vlinder kon niet meer bij AP verschijnen, ondanks de nominatie van mijn tweede bundel (Spreekt de troubadour, 2012) voor de J. C. Bloem-poëzieprijs.
Ik kan AP niets kwalijk nemen. Mijn redacteuren Peter Nijssen en Michel van de Waard geloofden in mijn werk en hebben er alles aan gedaan om het aan de man te brengen. De uitgeverij is slechts één schakel in een keten die heeft geleid tot de boekencultuur waarin voor mijn soort literatuur nauwelijks plaats meer is. Dat Lex Jansen, nadat hij bij AP was vertrokken, Je zadelt een vlinder alsnog heeft uitgegeven, heb ik vooral gewaardeerd.
Nu kun je besluiten om iemand niet meer uit te geven, maar je kunt hem niet verbieden te schrijven. Ik was dan ook vastbesloten om door te blijven werken, met dezelfde passie als altijd. Het manuscript van  ‘Lara’ heb ik naar een bekende literaire agent gestuurd. Hij schreef terug dat hij mijn boek niet eens ging lezen: het had ongetwijfeld kwaliteit, maar ik had al een aantal titels op mijn naam staan en eigenlijk ging hij alleen nog in zee met debutanten en Bekende Nederlanders. Uitgevers waren in schrijvers zoals ik volgens hem niet geïnteresseerd. Dat bleek te kloppen: een paar andere pogingen om Lara onder te brengen, liepen op niets uit.
Nu heb ik het boek dus zelf uitgebracht. In eigen beheer, met behulp van uitgeefplatform Brave New Books. En het heeft wel wat: alles zelf doen. Nou ja, alles… Twee goede vrienden (Willem Broens en Leo Sijtsma) hebben het werk van kritisch commentaar voorzien en ik ben hen daar dankbaar voor. Wel heb ik zelf de eindredactie gedaan en het omslag ontworpen. Ik ben trots op het boek en geloof er heilig in. En eerlijk gezegd: ik vind het voorlopig wel goed zo. Ik kan me voortaan helemaal richten op waar het me werkelijk om gaat: het schrijven van mooie verhalen en gedichten. En of ik nu tien, of honderd, of tienduizend exemplaren verkoop: het maakt niet uit, Lara zal aanwezig zijn.
Ik ga ondergronds. Off Broadway. Trek me terug in de kleinst mogelijke niche. De markt mag bepalen hoeveel lezers ik krijg, de markt bepaalt niet hoeveel ik schrijf. Er zullen van mij zeker nog meer romans en dichtbundels verschijnen. Via welk platform of welke uitgeverij dan ook en geschreven zoals ik dat wil, zonder dat ik me bezig hoef te houden met big data of het Bekende-Nederlanderschap.

Over Alle gedichten van Hans Verhagen

Mooi weer spelen

In de laatste strofen van zijn verzamelbundel Alle gedichten kijkt Hans Verhagen terug op zijn dichterschap, en de conclusie is niet positief:

Met al mijn lyrische geneeskracht
heb ik nog geen enkel wezen
van het sterfbed teruggebracht

Mooi weer spelen was alles wat ik deed
en mijn lievelingen gaven evengoed de geest
Ooit zullen haar ogen mij hebben gezocht
maar ik moet ergens anders zijn geweest

Voor wie net het meer dan 700 bladzijden dikke verzameld werk heeft gelezen en herlezen, zijn deze woorden hartverscheurend. De dichter heeft een leven lang gevochten en geeft toe dat hij heeft verloren. Dat ‘lyrische geneeskracht’ wordt met de nodige zelfspot gebruikt, maar de ironie relativeert niet, bezorgt de lezer geen gevoel van opluchting, maar wrijft hem nog eens in wat hij na lezing van al die honderden gedichten allang had kunnen weten: het leven is zinloos en leidt onherroepelijk tot de dood. In de eerste bundel, Rozen & motoren, staat het al: ‘Op veel te grote voeten loop ik naar het licht/ in de urnen’. Het enjambement is er een van het soort dat Verhagen vaak gebruikt: de overgang leidt van de hemel naar de hel, van het licht naar het duister. Uit dat ‘op veel te grote voeten’ spreekt weliswaar een enorme gretigheid en levenslust, maar uiteindelijk eindigt alles in het graf. Een ander voorbeeld uit dezelfde bundel van een enjambement dat hard aankomt: ‘Een gedicht, zo lyrisch als de volle maan/ van een barakkenkamp’.

‘Mooi weer spelen was alles wat ik deed,’ schrijft Verhagen. Dat wil echter niet zeggen dat zijn poëzie het moet hebben van haar zoetgevooisdheid. In eerste instantie zat de ‘lelijkheid’ van zijn woordgebruik mij zelfs in de weg. De taal is vaak bonkig, weerbarstig en, ondanks de talloze assonanties en het eindrijm, weinig welluidend. Soms lijkt het of de dichter zich tegen een te gemakzuchtige lezing verzet met abstracte formuleringen (‘De instigator had zich ter voorkoming van stigmatisering/ uit de constellatie teruggetrokken’), opzettelijk fout taalgebruik (‘half van de bevolking was een motje’), en beeldspraak waar ik me weinig bij voor kan stellen (‘de losgeschroefde zeeën van de geest’). Elk gedicht is een noot om te kraken, en af en toe heb je een flinke nijptang nodig om bij het zachte vruchtvlees te komen.

Ook andere stilistische middelen die Verhagen inzet, wekken soms ergernis op. Zo houdt hij ervan om te spelen met staande uitdrukkingen en vaste woordcombinaties. In Duizend zonsondergangen kun je bij voorbeeld lezen: ‘de tijd staat stil/ de klok verstrijkt’ en ‘spelend om je glimlach weer die lippen’. Deze truc past hij in al zijn bundels toe. Dat ik me uiteindelijk toch gewonnen heb gegeven, komt doordat ik besefte dat deze poëzie het moet hebben van dissonanten. Ze weerspiegelen de strijd die hij voert, het altijd weer opnieuw beginnen, dat voortdurende pogen om te zeggen wat je toch niet kunt zeggen. We gaan struikelend door het leven, lijkt de dichter te willen zeggen, waarom zou ik dan af en toe niet mogen struikelen over mijn woorden? En schoonheid? Schoonheid heeft met volmaaktheid te maken en is in wezen onmenselijk: ‘Wie schoonheid vrij wil maken/ moet eerst z’n naakte waarheid grondig reinigen/ van aangekleefd humaan’.

Perfecte gedichten komen er niet veel voor in het werk van Verhagen, maar in bijna elk gedicht staat minstens één regel die als een vuistslag aankomt en die zo helder is geformuleerd dat je weet: zo is het en niet anders. De rest van het vers is nodig om voor die enkele gebeeldhouwde zin(nen) de weg te plaveien. Verhagen is geen tekenaar bij wie de lijn meteen doel treft: hij komt al schetsend, al improviserend tot de kern. Enkele voorbeelden van regels die stuk voor stuk de Tzum-prijs voor de beste zin verdienen (waarom bestaat er eigenlijk niet zo’n prijs voor de poëzie?):

‘Mensen met een zinvol leven – zou je ze geen rotschop geven?’ (Zwarte gaten)

‘Alles komt klaprozenrood, nog tegensputterend, tot leven;
te ver heen om terug te keren naar de moederschoot
zet de zondeval zich in beweging’ (Zwarte gaten)

‘In dit land zo afgemeten dat het visioenen uitsluit’ (Moeder is een rover)

Voor een dichter die je in de eerste plaats associeert met Gard Sivik en de Zestigers is het werk opvallend weinig concreet. Vooral in zijn laatste bundels is het bijna mystiek te noemen, en doet me eerder denken aan de poëzie van Lucebert en Achterberg. Lucebert schreef melodieuzer, maar net als bij de keizer der Vijftigers is het oeuvre van Verhagen sterk associatief. Een andere overeenkomst is dat beide dichters de grote existentiële vragen niet schuwen, al zorgt Verhagen regelmatig voor een vrije val die de lezer met een doodsmak weer op aarde terugbrengt.

De overeenkomst met Achterberg zie ik vooral in de liefdespoëzie. Die gaat bijna altijd over een gestorven geliefde en lijkt net als bij Achterberg een poging om weer met de geliefde in contact te komen, of om haar te laten herleven. (‘Speelt ze nu voor sterrenregen?/ Kan ik daarin wellicht penetreren?’). Ook prachtig en (tegendraads) Achterbergiaans: ‘Geen zoetgevooisde haarlok, hak of kam/ die hem daar aan hare zaligheid herinnerde,/ maar juist de spoorloze verdwenenheid ervan.’ Wordt bij Achterberg de geliefde met ‘u’ aangesproken, bij Verhagen komt vaak een ‘zij’ voor die haast mythische proporties aanneemt. Enkele cycli in de bundels Duizend zonsondergangen en Kouwe voeten vormen samen een grimmige variant op het Bijbelse Hooglied. Het volgende gedicht komt uit Kouwe voeten:

Van haar zingen alle dichters,
haar schamele lakens ten spijt,
van haar zien wij het water komen
in stromen van saamhorigheid,
schreeuw van een vlinder tegen de wereld.

Het bloed dat uit haar aderen spuit
schenkt golven van vergetelheid;
zij neemt mij bij de hand en leidt mij,
in haar diepste duisternis misdraag ik haar,
op het toppunt van het licht raakt ze me kwijt.

Toch is deze poëzie niet losgezongen van de wereld. Vooral in de latere bundels is ze zelfs geëngageerd te noemen. De gedichten gaan over oorlog en geweld, onthoofdingen, yuppies die alles voor het geld doen. Het wereldbeeld dat hieruit naar voren komt is niet erg verrassend. De kritiek op kerk en kapitalisme is wat gratuit, maar de formuleringen zijn wél raak (‘Hun eeuwig verstoorde blik moeten sterke mannen wijten/ aan een oogopslag/ waarin schuldgevoel z’n best doet op een aantijging te lijken’).

Hans Verhagen heeft geen doden levend kunnen maken met zijn ‘lyrische geneeskracht’ en hij is niet de meest melodieuze dichter die we in Nederland hebben. Maar misschien vormen beide eigenschappen juist zijn kracht. Er zit een enorme vitaliteit in de niet aflatende pogingen van de dichter om vat te krijgen op de werkelijkheid. Al die tegenstellingen in zijn werk, tussen hoog en laag, liefde en haat, schoonheid en lelijkheid – gesteld in een taal die niet volmaakt is, niet volmaakt wil zijn omdat het leven dat ook niet is – weerspiegelen de onbegrijpelijkheid van het bestaan. Het kostte me in het begin moeite om in dit oeuvre door te dringen. Verhagen werpt barrières op voor de lezer. Maar als je er eenmaal een paar hebt geslecht, krijg je veel terug voor je inspanningen. Bij herlezing gaan de gedichten steeds meer leven, lijkt het zelfs of de taal muzikaler wordt, waarschijnlijk omdat je er langzaam maar zeker oor voor begint te krijgen.

Henry Sepers

Hans Verhagen – Alle gedichten. Bezorgd door Joep Bremmers. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam. 752 blz. €45.

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2022 Henry Sepers

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑