poëzie proza video

Tag: India

Een sprong op de bühne

dsc_0639

Als je in Odisha (India) rondreist om de streek en de bevolking te leren kennen, behoor je vanzelf tot de kaste van de toeristen. In zekere zin vergelijkbaar met de laagste kaste: de ‘onaanraakbaren’. Je staat buiten de maatschappij, wordt hooguit getolereerd. Je bent de theaterbezoeker die midden in de voorstelling het podium opklimt, omdat hij de spelers en het decor weleens van dichtbij wil zien. Dat hij daarmee het toneelbeeld verstoort, neemt hij voor lief.

We zijn in een ‘tribal area’ beland, in een afgelegen deel van Odisha. Rondreizen mag hier alleen met een gids en een speciale vergunning. Hier wonen de Desia Khonds, de Bonda’s, de Saora’s. De stammen behoren tot de Adivasi, de oorspronkelijke inwoners van India. Vanochtend bezochten we de Bondamarkt. De lichamen van de vrouwen zijn met kettingen bedekt, eronder dragen ze niets. Het kralengordijn van tientallen, misschien wel honderden halssnoeren reikt tot net onder de schaamstreek. Om de nek dragen ze ook nog zware ijzeren ringen die hen tegen aanvallen van tijgers moeten beschermen. Bij andere stammen hebben de dames gigantische oorringen in, of dragen een versiering in het haar die eigenlijk een mes is: dat komt in het oerbos altijd van pas. De mensen hier zijn klein en tenger. Over de mannen valt niet veel te zeggen: die lopen er min of meer Westers bij, al hebben sommigen een pijl en boog bij zich. In een hoekje van de markt verhandelen en drinken ze zelfgestookte alcohol.

We zijn ook in de dorpen geweest. Die hebben offerplaatsen van het soort dat in Europa alleen op archeologische vindplaatsen voorkomt. Hier worden ze gewoon gebruikt. Nog niet zo heel lang geleden offerden de dorpelingen jaarlijks een kind, geroofd van een andere stam. Nu beperken ze zich tot geiten. Bij de ingang van de nederzetting staat een tempel, een stuk golfplaat op palen. Hier aanbidden ze de aarde. Onder een oude boom liggen grote stenen. Families gaan erop zitten om de voorouders om raad te vragen van wie de geesten in het gebladerte huizen.

Deze mensen zijn zo anders dan ik, dat ik niet weet hoe ik me tot ze moet verhouden. Ik loop rond en knik ze toe als een vriendelijke oom, of breng vlak voor mijn borst mijn handen samen in een traditionele groet die ik heb geleerd van de gids. Ik lach naar ze en soms lachen ze terug, maar andere keren vuren ze een grote klodder spuug op me af die vlak voor mijn voeten belandt. Dat hoef ik me niet persoonlijk aan te trekken, zegt de gids: het is hier gebruik. Toch pas ik hier niet. Mijn lijf is te groot, ik beweeg me te lomp. Zij hebben neusringen en pijl en boog, mijn attribuut is de camera. Op een bankje, een beetje buiten het gewoel, maak ik mijn stiekeme foto’s. Ben ik oprecht geïnteresseerd of bevredig ik alleen mijn nieuwsgierigheid? Wat kom ik van hen te weten? Ik ken hun taal niet en kan ze dus niets vragen. Ik koop af en toe een ketting, dat is wat ik ze heb te bieden. In andere delen van Odisha willen de Indiërs graag een selfie met mij, witte exoot, maken. Zo niet de Bonda’s en Soara’s. Zij en ik: we leven in parallelle werelden die elkaar behoedzaam passeren.

De poort naar de hemel

dsc_0420

 

In Nederland verschanst de dood zich achter de coulissen, in India loopt hij gewoon rond op straat en niemand kijkt van hem op. Het begon al in Calcutta: we arriveerden na middernacht bij ons hotel en vlak naast de poort lag een man, gewikkeld in witte vodden. ‘Die is waarschijnlijk overleden,’ zei onze taxichauffeur, terwijl hij de koffers uitlaadde. Wij knikten. Ja, dat kan je natuurlijk hebben, dat iemand is overleden.

We zijn nu een week verder en lopen rond in Puri, een van de heilige steden van India. Onze gids leidt ons naar de Swargadwar, de poort naar de hemel. In de folder van de Tourist Office is dit, na de tempel, de tweede bezienswaardigheid die wordt genoemd. Het blijkt een veldje waarop lichamen worden gecremeerd. Er is een wachtrij. Voor de ingang liggen de doden klaar onder een witte doek, op een draagbaar van bamboestokken. De doek is bestrooid met oranje bloemetjes. Eromheen staan familieleden. De lijken liggen op de grond, in een smalle winkelstraat. Er rijden brommers en riksja’s langs. Er scharrelt een koe rond in het straatvuil. Een groep schoolmeisjes komt lachend voorbij. Wij passeren de doden en hun familie aarzelend en lopen het veld op, onze gezichten in de begrafenisstand. Horen wij hier wel te zijn? ‘No problem,’ zegt de gids. ‘If you want you can make photo’s.’ De dood is hier niet iets intiems, maar loopt breed gebarend rond, zonder dat iemand van hem opkijkt.
Op het veld branden overal vuren. Voor elk vuur staat een bankje. Op de bankjes zitten mannen. Alsof ze zich hebben verzameld bij een kampvuur. We lopen over een grindpad en passeren een brandstapel die nog niet is aangestoken. Een groep wenende vrouwen passeert ons. Tussen de takken en stukken boomstam ligt hun moeder, met haar gezicht naar beneden. De oudste zoon druppelt vloeibare boter over haar hoofd, dat brandt beter. Dan wordt ze aangestoken. De vlammen schieten al gauw hoog op. Ze spelen met haar voeten, die net uit de houtstapel steken, ontfermen zich over haar hoofd. Volgens de gids duurt het minstens drie uur voordat ze helemaal is verbrand. Al die tijd zullen haar mannelijke verwanten bij haar blijven zitten, op het bankje. Ze staren in de vlammen, met weinig uitdrukking op hun gezicht. Af en toe staat de zoon op om het vuur op te poken. Een been dat te ver buiten de brandstapel is geraakt, wordt met behulp van een stok terug in de vlammen geschoven. Je moet goed opletten bij zo’n crematie.
We lopen door. De dode op de volgende stapel is al een eind verder op weg naar de hemel. Ik zie zijn verkoolde hoofd, zijn roetzwarte benen. Als hij straks bijna tot as is vergaan, zullen zijn familieleden een paar botjes verzamelen, ze inwrijven met kokosolie en in een vaas stoppen. Die gaat mee terug naar hun dorp, soms meerdere dagen reizen van Puri. Alleen wie in Puri wordt verbrand, gaat rechtstreeks naar de hemel. Het komt voor dat vader of moeder nog leeft aan het begin van de tocht, om na het sterven maar op tijd in de Swargadwar te kunnen zijn.

Jaagt de dood me angst aan? Vandaag in ieder geval niet. Wat ik zie, geeft me eerder een gevoel van rust. Zo onherroepelijk is het dus, denk ik.

© 2020 Henry Sepers

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑