Henry Sepers

poëzie proza video

Categorie: Reiscolumns Azië Australië (pagina 2 van 3)

Natuurschoon

dsc_1563

 

Soms heb ik mijn twijfels over de goede smaak van Moeder Natuur. Vooral de onderwaterwereld is nogal kitscherig ingericht. Koralen in de meest onwaarschijnlijke kleuren, rare vissen uit Disneyfilms, bling bling van parels en zeesterren. Maar ook aan land gaat het soms mis. Een paar palmen, oké. Maar een heel eiland vol. En dan ook nog hagelwitte stranden. Bezaaid met zonnende meisjeslijven. Tussen de kokosnoten. Terwijl gebruinde autochtone jongens razendsnel een boom inklimmen…

Het zal duidelijk zijn. Ik heb moeite met de tropen. Veel te barok. Er zit geen structuur in al dat groen. De natuur heeft last van horror vacui. Als je op een kano een rivier afzakt, zit er al in de derde boom een slang, zwemt er na driehonderd meter de eerste krokodil en is het aantal apen dat langs de takken slingert niet te tellen. En dan heb ik het nog niet over padden in hippe kleuren, vogels met een uitdossing uit de feestwinkel en inboorlingen in lendendoekjes. Ik heb het allemaal gezien, het was prachtig, maar het raakte me niet diep.

Sinds een week ben ik in West-Australië. Perth mag dan de hippe variant zijn van Almere, de natuur hier imponeert. Zoutmeren, woestijn, eindeloze vlaktes met louter weerbarstige begroeiing, de eeuwige ademhaling van de Indische oceaan. Dit is natuur die niet wil behagen. Zij is niet koket en nuffig, maar stoer en eigenzinnig. In de negentiende eeuw werd vaak geschreven over het Sublieme. Het is het gevoel van nietigheid dat je ervaart als je bij voorbeeld in je eentje midden in de woestijn staat. Je weet: ik beteken niets voor dit landschap. Het zal me vernietigen zonder het zelfs maar te merken. Maar tegelijkertijd, en dat hoort ook bij het Sublieme, ben ik het die dit allemaal kan waarnemen. Het landschap strekt zich uit in mijn hoofd. Zonder mij bestaat het niet.

Het tropisch landschap is een boek waarin alles wordt uitgelegd. De woestijn laat ruimte aan de verbeelding.

Volksaard

Je moet altijd uitkijken met het doen van uitspraken over een volk, in dit geval dat van de Filipijnen. Je slaat al gauw aan het generaliseren en zeker als je ergens nog maar een paar weken bent, loop je de kans de plank behoorlijk mis te slaan. Toch kan ik het niet laten een paar observaties te noteren over de mensen onder wie ik mij nu bevind.

Ik begin met iets fysieks. De Filipino’s zijn klein. In Nederland ben ik bepaald geen reus, hier wel. In het busje waarin we gisteren werden vervoerd stond dat er op de achterbank maximaal drie vreemdelingen mochten plaatsnemen of vier Filipino’s. Dit vanwege de ‘verschillen in lichaamsbouw’. Door die tengerheid is het moeilijk om hier leeftijden te schatten. Een vrouw van dertig kan er in mijn ongeoefende ogen uitzien als een meisje van dertien. Daarbij komt dat men pas heel laat grijs wordt, zodat ik met mijn kleurloze haar voor het bejaardentarief een museum in mag.

En dan de volksaard. Uitspraken daarover zijn helemaal dubieus. Maar toch. De Filipino’s zijn vriendelijk. Nou wordt dat van zo ongeveer elk volk gezegd, maar bij hen zit het wel erg diep in het DNA. Ze glimlachen veel en groeten ons voortdurend (‘goodmorning mam, sir’), met het gevolg dat we een Maximaknikje hebben ingestudeerd om die golf van voorkomendheid het hoofd te kunnen bieden. In restaurants is het personeel trouwens zo talrijk, dat je het gevoel hebt een erewacht te moeten inspecteren voordat je aan tafel kunt.

Soms leidt de overdreven dienstverlening ook tot trieste taferelen. In een van onze hotels was de bar de hele dag open, zonder dat er, behalve aanmaaklimonade, ook maar iets verkrijgbaar was. Het meisje achter de toog had als enige taak de schaarse klant mee te delen dat ze hem, ‘sorry sir, sorry mam’, niet aan een biertje of glas wijn kon helpen.

Ja, het serviceniveau ligt hoog. Zelfs een plastic zakje met alleen je trui erin word je bij aankomst uit handen genomen. De speciaal daarvoor aangestelde bediende draagt het graag op een dienblad naar je kamer. En als de ober een kopje koffie serveert, vraagt hij of je er suiker in wilt, om na een bevestigend antwoord je bakje troost gracieus voor je  te zoeten en om te roeren.

Toch wantrouwt men ons vreemdelingen wel een beetje. In veel hotels laten ze je een ‘deposit’ betalen voor het geval je een laken, schemerlamp, closetrolhouder of handdoek steelt. Als er in je kamer bij het uitchecken iets ontbreekt, krijg je een boete, de prijslijst word je al bij binnenkomst gepresenteerd. Gasten zijn natuurlijk ook rare wezens, en je kunt bepaald gedrag maar beter direct de kop in drukken. Zo zag ik bij de ingang van een ontbijtzaal deze tekst hangen: ‘Wilt u hier s.v.p niet in nachthemd of ondergoed verschijnen.’

Een eigenschap van de Filipino is ook, dat hij je niet graag tegenspreekt. Als je bij voorbeeld vraagt of het echt nodig is zo vroeg naar het vliegveld te vertrekken (vaak worden we er vier uur van tevoren gedropt) is het antwoord nooit ja of nee, maar: ‘Oh, dus u wilt liever een uur later vertrekken.’ Men is doodsbang je de waarheid te zeggen, zelfs als die niet verder reikt dan de onvoorspelbaarheid van het verkeer. Informatieve gesprekken verlopen hierdoor nogal stroperig.

Tenslotte dit: als ongemanierde Hollander ervaar ik de vriendelijkheid, bescheidenheid en voorkomendheid van de Filipino’s als een verademing. Wel vraag ik me af hoe dit uiterst beschaafde volk een president kan kiezen die grossiert in botte uitspraken.

Bloemkooloor

Ze zitten op de stoelen voor ons in het vliegtuig van Hong Kong naar Manilla: twee Westerse mannen van een zekere leeftijd. Dikke buik, speknek, Hawaïshirt, halflange broek van slap textiel en met een loshangend kruis waarin de edele delen vrijelijk kunnen wapperen. Ze reizen zichtbaar alleen en hebben van die verfrommelde oortjes. De goorwitte kleur en de opmerkelijke vorm van de organen doen me denken aan bloemkoolroosjes.

Later blijken er veel exemplaren van de soort in de Filipijnen rond te lopen. Niet allemaal met bloemkooloren, maar als ze die niet hebben, groeit er wel een flinke bos haar uit hun neus of vervoeren ze etensresten op hun onderlip. In ieder geval lijkt het tv-programma ‘The Undateables’ zijn hele kandidatenbestand over de Filipijnen te hebben uitgestort. Wie op de Europese of Amerikaanse huwelijksmarkt geen kans maakt, kan nog altijd zo’n volgzaam Filipijns vrouwtje scoren.

In de restaurants van de grotere hotels bezetten de gemengde paartjes drie van de tien tafels. Langs de stranden zie je de bloemkooloren met hun tengere veroveringen flaneren, cocktails drinken en liefkozen. Als ze hun veel te jonge vriendin kussen, is het of een Duitse herder zijn natte tong langs een kleuterwang haalt.

Eén exemplaar hebben we persoonlijk gesproken. We zaten ergens te eten, toen hij ons aansprak. Hij kwam uit Noorwegen, maar dat was een waardeloos land. Je moest veel te veel belasting betalen. En met de gezondheidszorg ging het ook de verkeerde kant op. Nee, dan de Filipijnen. Het was net het Wilde Westen. Je kon er heerlijk pionieren en de vrouwen waren tenminste niet van die bitches die het allemaal beter weten. Hij woonde er nu zes maanden en was dolgelukkig.

Overigens mag ik niet te hard oordelen. Het zal me niets verbazen als de meeste van deze boze blanke mannen op Wilders, Trump of Marine Le Pen stemmen. Uit krantencommentaren heb ik opgemaakt dat wij van de elite wat meer begrip moeten hebben voor de slachtoffers van EU en handelsverdragen. Hoewel? Profiteren niet juist deze heren  van de vermarkting van de liefde en dus van die vermaledijde globalisering?

Ramon’s homestay

dsc_1079
Filipijnen, Ifugao

Vanaf de pas aangelegde weg dalen we via een smal pad af naar het dorp. Het is bijna een uur lopen. Nog maar een paar jaar geleden had je drie keer zoveel tijd nodig om vanaf de weg in Batad te komen. Onderweg kijken we uit over de beroemde rijstterrassen van Ifugao, opgenomen in de werelderfgoedlijst van de UNESCO. Er is net geoogst, op de meeste terrassen staat alleen maar water. ‘De trappen naar de hemel’ worden ze genoemd. Wie naar God wil, moet kunnen koorddansen over de touwdikke dijkjes tussen de velden.

Als we in het dorp zijn, is het nog meer dan driehonderd treden gaans naar ons logeeradres, Ramon’s homestay. We worden ondergebracht in een hut van bijna 100 jaar oud, gebouwd op palen en met een strooien puntdak. Het heet een ‘authentieke ervaring’ te zijn om daarin de nacht door te brengen. Het huisje is eenvoudig genoeg ingericht. Een matras. Een deken. Geen licht. Geen water. Dat was er vroeger ook niet. Via een wankele ladder bereiken we onze kamer.

’s Middags maken we een lange wandeling over de rijstterrassen. Ver beneden ons zijn mensen de velden aan het schoonmaken. We stellen vast dat we geen hoogtevrees hebben, want we lopen over smalle richels langs afgronden van zes, zeven meter. Het uitzicht is indrukwekkend, en moet ontworpen zijn door een soort Escher. De terrassen bestaan al tweeduizend jaar en zijn al die tijd op dezelfde manier bewerkt.

Als het donker is, komt Ramon bij ons zitten. Hij is de eigenaar van de homestay, zijn grootvader heeft onze hut gebouwd. Hij maakt een vuur. Zo ging het altijd ‘in the old days’, zegt hij, de volwassenen verzamelen zich in de avonduren rond de vlammen en vertellen elkaar verhalen. Andere gasten sluiten zich bij ons aan. Ramon is een wat bedeesde man en op een prettige manier formeel. We moeten ons eerst aan elkaar voorstellen. De rest van het gezelschap bestaat uit een Italiaan en vijf Filipino’s. Dan begint Ramon te vertellen. Het licht gaat uit, we zien alleen kooltjes gloeien. Af en toe springt er een klein katje op mijn schoot of overstemt het geblaf van de honden van het dorp de zachte, wat monotone stem van Ramon. Hij zegt dat hij de tradities van het dorp wil bewaren. Ik vraag hem of dat lukt, met de moderne tijd die door de aanleg van de weg steeds verder oprukt.

Ramon antwoordt met een verhaal. Vijf jaar geleden kwam er een Australiër naar het dorp. Hij had een geweldig plan. Er moest een kabelbaan komen die van berg tot berg zou gaan. De toeristen konden zo de rijstterrassen van bovenaf bekijken. Geweldig toch? Het dorp kreeg twintig procent van de opbrengst. Veel inwoners vonden het een goed idee. Rijk waren ze niet bepaald en het geld zou binnenstromen. Maar Ramon was ertegen. Als God zelf zouden de vreemdelingen letterlijk op de dorpelingen en hun rijstterrassen neerkijken, zonder zelfs hun grond te hoeven aanraken, en als de voorvaderen op weg wilden naar de hemel, raakten ze vast en zeker verstrikt in een wirwar van kabels. Batad zou veranderen in een pretpark. Ramon vergaderde met de oudsten van het dorp, bezocht ambtenaren, advocaten, bestuurders. Na veel juridische getouwtrek moest de Australiër het opgeven en met een map vol zinloze tekeningen droop hij af naar down under.

We brengen met een glas rijstwijn een dronk uit op de overwinning. Toch is er veel veranderd in het dorp. Er zijn nog maar drie sjamanen. Het grootste gedeelte van de bevolking is bekeerd tot het christendom. Zij vragen hun voorvaderen niet meer om raad, geloven niet langer dat ze minstens tien varkens moeten offeren als ze het ongeluk willen afwenden. Ook de gewoonte om een gestorvene tien dagen lang in een stoel onder het huis te hangen, bestaat niet meer. Ramon heeft als kind nog een buurman op zo’n schommelstoel van de dood heen en weer zien wiegen. Hij had het griezelig gevonden, maar ook fascinerend.

Vlak voordat we naar bed gaan, legt Ramon de huisregels uit. Het is verboden de deur van onze hut open te laten. Er kan van alles naar binnen vliegen of kruipen. Vogels, insecten, slangen, ratten, dronken dorpsjeugd. De geesten van de voorvaderen. We moeten de deur zelfs van binnenuit op slot doen met een haakje. ‘Ik zal vlak voor ik zelf naar bed ga, controleren of jullie naar me hebben geluisterd,’ zegt hij streng.

En inderdaad. Als we met het licht van ons mobieltje ons bed hebben bereikt, en we een half uur in het donker hebben liggen staren, terwijl we de vreemde geluiden proberen te identificeren, stommelt er iemand onze ladder op. Hij schijnt met een zaklantaarn op de deur, probeert of die open kan en verdwijnt weer.

Die nacht kan ik niet goed slapen. Rond drie uur verschijnen er Oosters uitziende gezichten boven mijn hoofd. Ik droom niet, want ik heb mijn ogen wijd open. De beelden zijn helder en bewegen. Het kan niet anders: dit zijn de voorvaderen. Misschien zijn ze Ramon te slim afgeweest en door een kier tussen de planken naar binnen geglipt. Een van hen heeft een grijs baardje en lacht vriendelijk naar me. De opa die de hut heeft gebouwd? Ik ben niet bang.

Chaos en orde

dsc_0954

Ogenschijnlijk zijn er geen steden zo verschillend als Calcutta en Hong Kong. Calcutta is chaos, Hong Kong is orde. Als je in Calcutta je hotel verlaat, moet je eerst door het afval waden om eindelijk de straat te bereiken waar gemotoriseerde riksja’s, bromfietsen, taxi’s en heilige koeien luid toeterend of loeiend hun best doen je omver te lopen of rijden. Wie het waagt over te steken, speelt Russische roulette. Spookrijden is normaal, bedelaars doen wedstrijdjes in wanstaltigheid, de geuren zijn overweldigend.

In Hong Kong is alle verkeer gescheiden. De onderwereld is voor de metro, de begane grond voor auto’s en trams, de bovenwereld voor de voetganger. Je kunt een uur lopen zonder snelverkeer tegen te komen, rustig wandelend over fly-overs en door prachtige parken met tropische begroeiing, exotische vogels, waterpartijen. Op alle mogelijke manieren proberen de bestuurders de chaos in toom te houden, de risico’s in te dammen. Bij de trapleuningen in de metro staat dat ze drie keer per dag worden gedesinfecteerd. Een op de vier voorbijgangers draagt een mondkapje om anderen niet te besmetten met zijn virussen.

Maar toch. Er zijn ook overeenkomsten. De chaos in Calcutta is maar schijn, net als de orde in Hong Kong. In het verkeer in de Indiase metropool lijkt geen enkel systeem te zitten, toch is de kans op een ongeluk niet eens zo groot, het pistool waarmee je Russische roulette speelt heeft duizenden kamers. Al krioelen riksja’s, taxi’s, voetgangers en runderen door elkaar, ze botsen zelden. Het stadsverkeer blijkt een ingenieus weefsel van gecompliceerde patronen, waarbij vergeleken de etagère van Hong Kong maar simpel in elkaar steekt.

Zo valt er ook wel wat af te dingen op de orde van Hong Kong. Onder het beroemde hoofdgebouw van de HSBC-bank, temidden van glanzende kantoorgebouwen en hypermoderne wolkenkrabbers, ligt een overdekt plein. In dit centrum van de financiële wereld stampen op zondag honderden Filipijnse vrouwen een klein Manila uit de grond. Temidden van glanzende kantoorgebouwen en postmoderne wolkenkrabbers creëren ze met behulp van enorme kartonnen dozen winkels, kapperszaken, pedicuresalons, huiskamers, kerkjes en koffiehuizen. Ze komen uit een stad zo chaotisch als Calcutta, maar het zijn deze vrouwen die Hong Kong glanzend schoon houden en de chaos van miljarden bacteriën op de handrails van de metro met desinfecterende middelen bestrijden.

Oudere berichten Nieuwere berichten

© 2018 Henry Sepers

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑