(fragment)

Yves is al een eeuwigheid met Yvette. Ontmaagdt haar op haar zestiende zonder een voorbehoedsmiddel te gebruiken. Twee weken lang zitten de geliefden in angst. Yvette kan zwanger zijn, maar de test is negatief en zal dat later telkens opnieuw zijn: in het vierde jaar van hun huwelijk blijkt Yves onvruchtbaar. Yvette begint hem daarom stil te haten, een gevoel dat haar even vertrouwd wordt als haar lichaam, en dat, als ze samen op de veranda zitten en kijken naar de zon die langzaam ondergaat boven het kleine meertje, sprekend op liefde lijkt.
Dat ze katten nemen, ligt voor de hand, al worden het er wel erg veel. Een groot verdriet is een onverzadigbaar monster. Eerst zijn er twee poezen, dan vijf, tien, twintig, honderd. Hun huis is een geïmproviseerd asiel dat alle zwervertjes uit de buurt gratis kost en inwoning verschaft. Tientallen kilometers leggen de beestjes soms af, onderweg hun dorst lessend met water uit beekjes en slootjes, want voor de poezenwereld is de omgeving van vlek A. het beloofde land. Ook elk nieuw nest heet ze van harte welkom, nooit verzuipt ze kittens. En als Yves protesteert, hoeft ze hem maar te wijzen op zijn onvermogen en hij geeft onmiddellijk toe.
Yvette vindt dat katten een ziel hebben.
‘Wat dat betreft,’ zegt ze, ‘ben ik net een Egyptenaar.’
Ze haalt zelfs de krant met haar dierenliefde. Ze geeft er zelf de aanzet toe, nou ja, indirect, doordat ze Bernadette bereid vindt om een brief naar het Journal de L. te sturen. Als ze het zelf zou doen, was het natuurlijk raar. Ze heeft een record gevestigd: in één jaar ving ze meer dan zeventig katten op. In een paginagroot artikel wordt ze opgevoerd als een gepassioneerde dierenvriend. Voor de foto heeft ze speciaal een jurk aangetrokken die nog stamt van voor haar huwelijk. Natuurlijk past hij niet meer, maar de knoopjes zitten op de rug, dus van voren zie je niet dat er een paar openstaan.
Tegen de interviewer zegt ze: ‘Je mag me niet als zo’n typisch kattenvrouwtje wegzetten. Ik mompel niet in mezelf en schuifel zeker niet op pantoffels rond op mijn erf. Verder heb ik al mijn tanden nog en ben niet simpel. Ik heb Goethe en Schiller gelezen, dus niemand hoeft mij iets te vertellen. Madame Bovary vind ik een overschat boek, dat la vie à la campagne in een verkeerd daglicht stelt. Ik kom nog geregeld in tapijtstadje A. om te dansen. En ken je die beroemde foto van Céline met een kat? Nou dan, poezen zijn hoogst literaire wezens.’
Verder klaagt ze over de onkosten die ze moet maken. Er gaan heel wat blikken kattenvoer doorheen op een dag. En de muizen in de velden rond het dorpje zijn al jaren op: tegen de vraatzucht van zoveel poezen valt zelfs voor die kleine geilaards niet op te neuken.
Het gebeurt een week nadat het artikel in de krant heeft gestaan. Voor het huis van Yves en Yvette stopt een witte limousine. De katten zitten doodstil aan weerszijden van het weggetje, als beelden in het graf van Toetanchamon. Sommige spitsen hun oren,  andere likken aan hun poot. Er zijn Cyperse bij, muisgrijze en dikke rode.
Het Journal de L. wordt door meer mensen gelezen dan je zou denken.
Het portier aan de bestuurderskant gaat open. Een man in een zwart kostuum, met een hagelwit overhemd aan en een zwarte stropdas om, stapt uit. Hij knikt naar de Yvettes. Die kennen het motorgeluid van alle auto’s uit de omgeving en zijn bij het vreemde gesnor van de limousine nieuwsgierig naar buiten gekomen. (De onbekende motor klinkt als het spinnen van een kat, maar dan honderd keer versterkt.)
Naast elkaar staan ze bij de voordeur. Vier, vijf poezen schieten tussen hun benen door om hun plaats in de erewacht in te nemen en gaan net als de andere op hun achterpoten zitten, met de kopjes een beetje schuin omhoog. De man in het mooie pak loopt langs de donkergetinte ruiten om de auto heen en opent het achterportier.
Het eerste wat Yves ziet, zijn haar benen, nog steeds lang en slank, en de pumps waarin die eindigen. Hij moet denken aan een film van Woody Allen waarin deze vanaf het doek een bioscoopzaal instapt. Hem gebeurt het omgekeerde: hij is op zijn eigen erf en wordt pardoes de wereld van het witte doek ingetrokken op het moment dat de actrice, met de élégance van een prinses, uitstapt. Ze draagt een korte blauwe jurk met daarover een stola van zwarte zijde. Haar blonde haar (of is dit vooral zijn herinnering en is het in werkelijkheid lichtgrijs, bijna wit?) heeft ze hoog opgestoken. Yves herinnert zich een scène waarin ze met een snelle beweging van haar handen twee houten pennen uit het torentje trekt en het haar laat neerklateren op opwindend blote schouders. Er staat een man naast haar te wachten, natuurlijk staat er een man te wachten.
Is Yves niet misplaatst in deze tweedimensionale wereld, een miscast, een rare snuiter in een groene overall? Hij droomde van haar toen hij een jongen was. Het beeld van haar lichaam wekte zijn eerste zaadlozing op. Keer op keer ging hij naar de bioscoop van tapijtstadje A. om haar lichaam te bewonderen. Het aanraken van zo’n fraai gevormd lijf moest wel het toppunt van genot zijn, hij kon niet ophouden te denken aan al dat vrouwenvlees.
Yvette kijkt even van terzijde naar haar man. Je weet het bij hem nooit met vrouwen. Niet sinds die ene keer. Maar dan besluit ze toch maar vriendelijk te lachen naar de dame die met uitgestoken hand op haar afloopt en zich keurig voorstelt. Alsof Yvette haar naam niet weet! Ondanks haar monumentale kapsel lijkt ze kleiner dan in de film. En als je goed kijkt, denkt Yvette, zie je dat ze door de botox hamsterwangetjes heeft gekregen en dat haar mond als een opblaasbootje in haar gezicht drijft.
De filmster steekt een lang verhaal af, waarvan één zinnetje altijd zal blijven hangen bij de Yvettes, omdat het zo treurig klinkt: ‘Ik houd meer van dieren dan van mensen, want de mensen hebben mij opgejaagd als een dier.’
Na de toespraak opent de chauffeur de achterklep van de limousine en laadt tientallen blikjes kattenvoer uit van een belachelijk duur merk. Hij maakt nette stapeltjes, zoals in de supermarkt. De poezen beginnen zachtjes te miauwen. Glimlachend kijkt de ster toe. Als alles is uitgeladen, geeft ze het echtpaar opnieuw een hand. Het kopje thee dat Yvette haar aanbiedt, slaat ze af, ze heeft nog zoveel te doen.
Een jaar lang zal de beroemde actrice elke maand een lading voer laten brengen. Het is teveel, zelfs voor de menagerie van Yvette. Nog steeds staan er honderden blikjes in de schuur. Ze zijn verroest en er sijpelt bruin vocht uit, de penetrante geur vermengt zich met de stank van kattenpis.