Henry Sepers

poëzie proza video

Categorie: Reiscolumns Azië Australië (pagina 1 van 3)

Grens

 

 

Hoewel zich tendensen in omgekeerde richting aftekenen, zijn in de afgelopen decennia de meeste grenzen in Europa verdwenen. Hoe anders is dat op het Koreaanse schiereiland. Prikkeldraad, wachttorens, landmijnen, tanks: de grens tussen beide Korea’s is grimmig en hard, een bloedend litteken dat het land van oost tot west doorsnijdt. De scheiding vormt het grootste trauma van met name het zuiden, maar ook met trauma’s kun je geld verdienen: de grens is al jaren de belangrijkste toeristische attractie in de omgeving van Seoul.

Wij hadden ons aangemeld bij een van de reisbureaus en op een vrijdagochtend werden we bij ons hotel opgehaald. De chauffeur bracht ons niet meteen naar de grens, maar dropte ons in de lobby van een groot gebouw in de binnenstad. Even later verdween hij met onze paspoorten in een lift. Ergens op de zesde verdieping zaten militaire attachés die moesten bepalen of we in het grensgebied toegelaten konden worden. We voelden ons wat ongemakkelijk bij de situatie, vooral omdat we nogal lang moesten wachten tot de chauffeur met onze paspoorten terugkeerde. Maar de toestemming was verleend.

De lobby stroomde vol met andere toeristen. We werden verdeeld over vier  bussen. Buiten Seoul passeerden we al snel de hekken met prikkeldraad en de wachttorens met hun stijf in de houding staande soldaten.  Achter de afscheiding een brede strook niemandsland, de DMZ (Korean Demilitarized Zone). De gids vertelde dat de natuur daar zo mooi was, omdat er bijna geen mensen kwamen. Zeldzame vogels hadden er hun nesten, er bloeiden orchideesoorten die elders verdwenen waren en ook de dieren hadden het er reuze naar hun zin.

Om bij de Joint Security Area (JSA) te kunnen komen, de enige plek waar Noord- en Zuid-Koreaanse militairen tegenover elkaar staan en ook de plaats waar vroeger onderhandelingen plaatsvonden en familieleden elkaar konden ontmoeten, moesten we overstappen op bussen van de Verenigde Naties. Bij de JSA werden we opgesteld in een dubbele rij om ons uiterlijk te laten controleren door Zuid-Koreaanse militairen. Ons was van tevoren gezegd dat we er netjes uit moesten zien. Geen gaten in de kleren, geen T-shirts, geen ongekamde haren en ongepoetste schoenen. Dit omdat er van de Noord-Koreaanse kant foto’s van ons konden worden gemaakt, en een warrig westers kapsel zou weleens voor propagandadoeleinden kunnen worden gebruikt: kijk eens hoe ze er daar bijlopen, het is er pure armoede.

Toen we eenmaal waren goedgekeurd, mochten we naar Noord-Korea kijken. Voor ons stonden, strak in het gelid, Zuid-Koreaanse soldaten om de overkant in de gaten te houden en ons te beschermen. Wel was het zo, dat als de vijand onverhoeds begon te schieten en we door een kogel geraakt zouden worden, dat onze eigen schuld was. We hadden een verklaring getekend waarin we dat toegaven.

Voor een wit gebouw met hoge trappen, zo’n honderd meter van ons vandaan, stond  één Noord-Koreaanse soldaat. Hij staarde naar ons, wij staarden naar hem. We mochten niet naar hem lachen of gebaren. Ook daar hadden we voor getekend. Even later verschenen links van hem nog twee soldaten met tussen hen in een burger. Ik dacht even dat die burger Kim Jong-Un was, want hij leek erg op de grote leider, maar later hoorde ik dat het om een toerist van de andere kant ging, waarschijnlijk een Chinees. Wij keken naar de Chinees en de Chinees keek naar ons. Ik onderdrukte de neiging om te zwaaien.

Na de lunch bezochten we een treinstation dat ooit was gebouwd voor het geval de twee landen weer verenigd zouden worden. Het lag er als nieuw bij en was helemaal leeg. Er zat helemaal niemand in de wachtruimte, er stonden geen mensen voor de loketten, we hoorden niet het geluid van aanstormende treinen. Als je goed keek, zag je echter dat het loket toch bemand was. Net als de informatiebalie. En op de vertrekborden stonden treinen naar Pyongyang aangekondigd. We waren getuige van een tableau vivant, daar neergezet om meteen tot leven te kunnen komen op de grote dag van de hereniging.

Vanaf een heuvel begluurden we tenslotte door een kijker nogmaals het land van Kim Jong-Un. Uit een Noord-Koreaans dal klonk marsmuziek en strijdgezang, afgewisseld door een mannenstem die, volgens onze gids, propagandateksten uitsprak waarin hij het paradijselijke Noorden bezong en op het perfide Zuiden schold. Een hoge vlaggenmast met de Noord-Koreaanse vlag stak ver boven de huisjes uit van een dorpje  met splinternieuwe huizen. Volgens de gids waren het modelwoningen die moesten laten zien hoe geweldig de socialistische heilstaat was. In werkelijkheid woonde er niemand.

We gingen ook nog naar een gigantische souvenirshop, een verplicht onderdeel van de exursie. Je kon er militaire jasjes kopen, T-shirts met grappige karikaturen van soldaten, plastic geweren. Ook was er Noord-Koreaanse chocola te koop, want die scheen erg lekker te zijn.

 

Dit is de laatste column over onze reis door Azië en Australië. Op 27 maart zijn we in Nederland teruggekeerd.

Van parken en paleizen

dsc_2090

Vrijdag 10 maart. Het hooggerechtshof zal vandaag beslissen over het lot van de Zuid-Koreaanse president Park. Wordt ze afgezet of niet? Iedereen in Seoul heeft het erover. Gisteren gaf zelfs de kassière van het museum dat we wilden bezoeken haar mening over de kwestie. Ze was voor de president, omdat die opkwam voor de rechten van vrouwen. ‘Ik wil nu met een vlag lopen,’ zei ze, terwijl ze ons de toegangsbiljetten overhandigde. ‘Ik kan niet wachten.’

Mevrouw Park is een tragische figuur. Haar vader was een dictator, die het land met harde hand bestuurde. Hij werd uiteindelijk neergestoken door zijn eigen lijfwacht. Bij een eerdere moordaanslag kwam haar moeder om het leven. Zelf kwam ze onder invloed van Choi Soon Sil, een soort Greet Hoffmans. Choi kreeg invloed aan het hof van de president door haar vader, een sekteleider die beweerde via sjamanistische séances contact te kunnen maken met de dode moeder van Park.

Vandaag worden er veel demonstraties verwacht, van zowel voor- als tegenstanders van de president. Wij willen daar niet in terecht komen en besluiten onze dag door te brengen ver weg van de actualiteit, in de luwte van de geschiedenis. We zijn van plan om naar het Changdeokgung-paleis van de Joseonkoningen te gaan, een dynastie die Korea meer dan zevenhonderd jaar regeerde. Maar het is lang geleden en niemand maakt zich meer druk over deze ongetwijfeld tirannieke heersers.

We zijn echter pas een dag in Seoel, en kennen de plattegrond nog niet goed. We denken net buiten het centrum terecht te komen als we het metrostation verlaten, maar raken in een grote mensenmassa verzeild en stuiten op een cordon ME’ers gewapend met schilden en stokken. (Later lezen we, dat een uur later op deze plek een demonstrant is doodgebloed.). Haastig maken we rechtsomkeert, duiken de ondergrondse weer in en zoeken een andere uitgang. We lopen door verlaten straten die met politiebussen hermetisch afgesloten zijn van de avenues waarop het allemaal gebeurt. We horen geschreeuw, een soort marsmuziek, strijdgezang.

Na een half uur weten we toch onze bestemming te bereiken. Er staan prachtige pagodes en paleizen in een park dat alleen maar harmonie uitstraalt. Het is of we door Japanse pentekeningen wandelen. De eerste bloesem breekt door. Er zijn heel weinig bezoekers, want de hoofdroute naar deze lusthof is door de politie afgesneden. Wel zwerven er een tiental jonge vrouwen tussen de gebouwen door, gekleed in de prachtige zijden jurken uit de Joseontijd. Je kunt de gewaden elders in de stad voor een dag huren. Met hun mobiele telefoons maken de meisjes ontelbare selfies, betoverd door hun eigen schoonheid, tegen het verstilde decor van het verleden.

Ik ben verrukt omdat ik me in het Korea van honderden jaren geleden waan. Maar de nog kale bomen van het park kunnen de geluiden van de straat niet wegfilteren. De rauwe kreten van het oproer verscheuren de stilte van vroeger. Van een gids horen we dat Park Geun-Hyi is afgezet en onmiddellijk het presidentiële paleis moet verlaten. De gids bekent dat ze daar blij om is.

Danger!

dsc_1843

Ronald is nog tamelijk jong, ik schat ergens tussen de dertig en veertig, en is opgegroeid in Utrecht. Nu woont hij al tien jaar in Denmark, West Australia, een ‘town’ met een paar honderd inwoners aan de door een wulpse God gevormde zuidkust. Vijf minuten van zijn huis ligt Greenspool, een baai uit een toeristenfolder. De zee is van een blauw dat de mantel van Maria tot een kleurloos vod maakt. Een paar zwemmers bewegen tergend traag in de richting van een idyllisch eilandje, langs rotsblokken die als indolente zeekoeien in het water drijven. De zeebodem is een Engelse tuin, en op het blinkend witte zand exposeren bijna blote meisjes hun flamingoroze lijven.

‘Ik ga nooit meer terug naar Nederland,’ zegt Ronald. ‘Er dreigen daar aanslagen, er zijn files, er is stress. Ik leef hier in een paradijs. Ik vind het prima om overal ver vandaan te zijn. Ik heb genoeg aan de zee, de meisjes en de rotsen. En als ik het vertier van de stad wil, rij ik zo naar Albany.’ (Albany is een ‘city’ van maar liefst 25000 inwoners.)

We hebben veel mensen ontmoet die Australië zien als een toevluchtsoord. Een comfortabel eiland der gelukzaligen. De ‘outback’ van moeder aarde, waar je nog vrij bent en de ruimte hebt. Ze wonen soms honderden kilometers van een stad van enige omvang, in ‘splendid isolation’. De rest van de wereld is een pestkolonie en zij leven veilig buiten de hekken.

Natuurlijk moet je de boze wereld wel op afstand blijven houden. Wie de douane passeert, dient zijn schoenzolen te tonen. Als er opgedroogde modder op zit, spuit een beambte er een agressief chemisch goedje op waarin het rubber onmiddellijk oplost. In de aarde van vreemde landen zitten microben die de inheemse planten ziek kunnen maken.

Onbegrijpelijk zijn deze maatregelen niet helemaal. Australië heeft een unieke flora en fauna. In de laatste eeuwen zijn er exotische dieren ingevoerd als de vos, die grote schade aanrichtten. Er is een programma opgezet om die vreemde beesten te vernietigen. Overal in de bush liggen stukken vergiftigd gedroogd vlees voor ze klaar. En exotische mensen? Vluchtelingen die op gammele bootjes het paradijs proberen te bereiken worden zonder pardon weer de zee opgestuurd of, als ze onverhoopt toch het land hebben bereikt, geïnterneerd op een gevangeniseiland dat ver van de kust ligt.

Een probleem dat onoplosbaar lijkt, is de aanwezigheid van aboriginals. Zij zijn net zo inheems als de kangoeroe, de wombat en de opossum, dus je kunt ze niet wegsturen. Wel vormen ze nog altijd de onderlaag van de maatschappij. Hun alcoholisme en vetzucht zijn het stille protest tegen eeuwenlange onderdrukking door exoten (!) uit Engeland, Nederland en de rest van Europa. Ronald waarschuwde ons voor hen. In het stadje Carnarvon, had hij in de Denmark Post gelezen, hebben aboriginals een ouder echtpaar overvallen en ernstig toegetakeld.

In dit land lijkt men alles in de hand te willen houden en het is daarom vergeven van de waarschuwingsbordjes. Danger! Cliff Risk, Coast Risk, Poison Risk, River Risk. Als je zwemt kun je verdrinken. Wie op een rots klautert, kan er afvallen. Over los grint kun je uitglijden. De stroming van een rivier kan je meevoeren. Maar kruipt niet in elke Hof van Eden een slang rond? Is leven niet altijd een risicovolle aangelegenheid en is dat niet juist de ‘fun’ ervan? Zou het niet kunnen dat Adam en Eva hun tuin der lusten zijn ontvlucht omdat ze het er nogal saai begonnen te vinden?

Van Exmouth naar Carnarvon

dsc_1532

 

Zo leeg kan het dus zijn. We rijden de bijna vierhonderd kilometer van Exmouth naar Carnarvon, en weten ons omringd door een ruimte die God tijdens de schepping vergeten is in te richten. Dit is het begin van de wereld. Of het einde. Alles is gebeurd. Niets is begonnen.

Wat is dit landschap hard voor zichzelf. Nergens reikt de begroeiing tot ooghoogte. De aarde is gebarsten, gigantische termietenheuvels parodiëren de steden met al hun verkeer en gewriemel van mensen, zoutvlaktes laten geen planten toe en zien eruit als grote kunstwerken in aardekleuren. Ik vind het prachtig. Dit is een vorm van niets dat me opwindt. Zo wil ik wel oplossen in het bestaan. Misschien kan ik me uiteindelijk neervlijen op deze rode aarde en een bizar stuk rots worden.

Maar eerst stoppen we nog bij waar het allemaal is begonnen. In een extra zoute uitloper van de Indische oceaan liggen stromatolieten. Uit deze gestolde oersoep is ooit het leven ontstaan. Cyanobacteriën vormden organische gesteenten en produceerden miljarden jaren geleden de zuurstof die het leven in onze atmosfeer mogelijk maakte. Begin en einde zijn elkaar zeer nabij.

Mensen zijn hier niet veel. Om het uur passeert ons een tegenligger en de enige bebouwing onderweg bestaat uit twee roadhouses die eruit zien als grensposten van het hiernamaals. Je kunt er een kop koffie krijgen en een vliegennetje kopen. Want vliegen zijn hier in overvloed. Ze nestelen zich in je ooghoeken, kruipen in je neus en oren, organiseren massademonstraties op je rug.

Zo’n wegrestaurant doet denken aan het café in De trein der traagheid van Johan Daisne, de uitbaatster hangt over de grens van het bestaan als een fokkenmaat over de rand van een zeilboot. Ze moet het evenwicht bewaren, maar weet best dat één windvlaag genoeg is om haar tot verliezer te maken. Toch duikt ze plichtsgetrouw vanachter de toonbank op zodra je het pand betreedt en de vliegen van je afslaat.

‘Het is warm vandaag,’ zegt de dikke vrouw met het grove gezicht, en je knikt. Het is hier altijd warm en het zal hier warm blijven. De hitte is er om je denken te verlammen, hoe kun je dit landschap anders aanvaarden? De koffie die de waardin schenkt, brengt nauwelijks troost. Je weet dat je verder moet reizen door steeds hetzelfde decor. Je hebt geen idee waar dit zal eindigen.

In Carnarvon. Ja in Carnarvon. Maar de stad is nog ver en in de stad zal alles gesloten blijken. De cafés, de restaurants, de bioscopen. Misschien dat in Perth het leven weer begint, maar Perth ligt nog achthonderd kilometer verder en onderweg passeer je tientallen doodgereden kangoeroes.

Harry

In de eerste weken van de reis wist ik nog wel raad met de dood. Ik zag lijkverbrandingen langs de Ganges en merkte dat het fysieke verdwijnen van een mens me niet bang maakte, maar rust gaf. Het was het statische en passieve van de dood dat me dicht bracht bij aanvaarding. Dit kon niet erg zijn omdat het zo absoluut was en de uitvoering zo overtuigend.

Maar nu is Harry dood. Hij was mijn vriend. Ik kende hem al sinds mijn zeventiende. Hij had kanker en Parkinson. Toen hij stierf, was het nacht waar ik was. Ik sliep in het paradijs. Palawan is een van de mooiste plekken van de Filipijnen. Ik kwam hem daar niet tegen. Zijn hemel ligt vast ergens anders.

Een paar uur voor zijn dood heb ik hem toegesproken. Zelf sprak hij nauwelijks meer. Mijn stem had haast, want ik was bijna te laat geweest. Gelukkig was er internet. In een geluidsopname van een paar megabytes vatte ik onze vriendschap samen. Harry was intelligent. Geïnteresseerd. Hij nam nooit zomaar iets van me aan, sprak me graag tegen, liet me nadenken over wat voor mij voor de hand lag. Nu kon ik van alles beweren, zonder dat hij me op de bekende manier vragend kon aankijken. Daarom koos ik mijn woorden zorgvuldig. Ik zal hem missen. De dood is een gemene spelbreker, en de rust die hij biedt, is er niet voor de levenden.

Ik zie mijn vriend nog lopen, hoor zijn stem, filmbeeldje voor filmbeeldje trekken al zijn gezichtsuitdrukkingen langs. Het is de resonantie van zijn bestaan die klinkt in mijn hoofd. Ik was er niet toen hij stierf. Ik was er virtueel. Ik weet niet of dat genoeg is.

Ook op zijn begrafenis heb ik gesproken. Zelf zat ik in het vliegtuig van Puerta Princesa naar Manila. Zijn vrouw schreef me dat de mensen het mooi vonden wat ik zei. Maar ik weet het niet. Ik sprak in het luchtledige. Al maakt het misschien niet uit. In die kerk in Bloemendaal was hij ook niet. Misschien was hij wel met mij in het luchtledige.

Ik weet niet zeker of het goed is om hierover op deze plek te schrijven. Te persoonlijk. Maar wat zijn de verhalen over de natuur, vreemde volkeren en bloemkooloren waard als ik verzwijg wat mij de afgelopen weken vooral bezighield?

Op 18 januari ging Harry dood. Op 24 januari werd hij begraven. Gelukkig kan ik soms zijn stem nog horen. Nu zegt hij tegen me: ‘Je gaat toch geen literatuur van me maken, hè Sepers?’

Oudere berichten

© 2017 Henry Sepers

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑