Henry Sepers

poëzie proza video

Categorie: Columns (pagina 2 van 4)

Berlijn

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

 

In Nederland was er een maandenlang gesteggel over de locatie van het historisch museum. In Berlijn is de geschiedenis gewoon te vinden waar ze hoort: op straat. Op grote panelen die staan opgesteld bij Checkpoint Charlie wordt het verhaal van de muur verteld. Op dezelfde wijze kom je de Tweede Wereldoorlog tegen op een kaal stuk terrein bij de Potsdammer Platz : de Topographie des Terrors, de plek waar vroeger de hoofdkwartieren waren gevestigd van de SS, de SD en de Gestapo.
Zo gaat het blijkbaar bij het verwerken van het verleden: na de bevrijding door de geallieerden (zo noemen ze dat nu in Berlijn) werden de gebouwen van Heydrich, Müller en Himmler zo snel mogelijk met de grond gelijk gemaakt. Men wilde elke verwijzing naar het duizendjarig rijk wegvagen. Nu wil men vooral niet vergeten: in de open lucht, overgeleverd aan een omgekeerde Nacht und Nebel, staan de manshoge portretten van de nazibeulen. Er zijn ook foto’s van gehangenen, van de kampen, van executies.
Vlakbij de Brandenburger Tor is sinds een paar jaar het Holocaust Denkmal te vinden. Rechtopstaande blokken van verschillende grootte bedekken een stuk grond met de oppervlakte van een flink plein. Het monument is een doolhof van grafstenen. Maar het bijzondere is, dat er niet de stilte van het kerkhof heerst, maar dat het leven er vrij spel heeft. Over golvende paden kun je een wandeling maken tussen de stèles. Kinderen spelen verstoppertje. Er wordt geroepen en gelachen. Op een trap bij het onder de grond gelegen documentatiecentrum zag ik een condoom liggen.
Bij de oude grensovergangen tussen Oost en West is het een vrolijke boel. Hier is de geschiedenis commercie geworden. Voor een paar euro kun je een ‘Trabantsafari’ maken. Studenten staan verkleed als grenssoldaten op de Pariser Platz en laten zich fotograferen met toeristen. Je kunt ook een origineel Oost-Duits stempel in je paspoort laten zetten. Aan een overgebleven stukje muur hangt een plakkaat van een slachtoffer van de Stasi: hij kondigt aan dat hij elke dinsdagochtend aanwezig zal zijn om zijn in eigen beheer uigegeven biografie te signeren.
Berlijn zit nog vol gaten. Er wordt in rap tempo gebouwd, maar de stad is te gewond geraakt om in zo’n relatief korte tijd te kunnen helen. Daarbij komt dat men heeft ontdekt dat het niemandsland van weleer een grote ecologische waarde vertegenwoordigt: in de tijd van de muur hebben zich hier zeldzame planten en insecten gevestigd. Zo levert de deling van de stad ook nog iets op.
In de afgelopen twintig jaar hebben grote delen van Oost-Berlijn een complete make-over gekregen. De socialistische woonblokken langs de Karl-Marx-Allee blijken opeens prachtig te zijn. Prenzlauer Berg is hip. De 19e eeuwse gevels zijn schitterend gerenoveerd. Wel zijn de pasgeverfde muren van de huizen opvallend vaak beklad met graffiti. De wraak van de oude bewoners, die zijn verjaagd door West-Berlijnse kunstenaars, studenten, cyberkids?
Panta Rhei, zei Heraclitus, alles stroomt. Maar er keert ook veel terug. Het verleden is als een virus dat telkens weer de kop op steekt. En dan moet je het behandelen. Of openlijk laten uitwoeden. In Berlijn is men in beide opvallend goed.

De poëzie van het kwatten

In 2003 begon de Chinese overheid, ter voorkoming van de verspreiding van Sars, een campagne tegen het spugen op straat. Tot dan toe was dit een nationale gewoonte zo populair als het eten van gebraden hond. Even leek de kans minder groot om op het plein van de Hemelse Vrede getroffen te worden door andermans speeksel.
Nu weten we allemaal dat viezigheid vooral in het buitenland voorkomt. Je vindt er vlooien in bed, luizen aan de wand en hurktoiletten. Het verbaast me dan ook dat in mijn eigen Amsterdam het kwatten in het openbaar de laatste tijd mond over mond toeneemt. Steeds vaker moet ik zo’n naschuimend kwakje ontwijken als ik door de stad wandel. En wat erger is: op een fietspad overkomt het me nogal eens dat een jongeman die voor mij rijdt zich plotseling half omdraait om met een fikse rochel voor lama te spelen. Ik heb al spuug op mijn banden gehad, op mijn koplamp en laatst ook op de mouw van mijn winterjas.
Wat ik mij afvraag: waarom doet iemand zoiets? Ik heb het op internet nagekeken, maar overmatige speekselvorming komt wel eens voor, maar niet erg vaak. Verder zijn het haast altijd jongemannen die spugen, en dat valt medisch gezien niet te verklaren. De oorzaak moet ergens anders liggen.
Door te spugen toon je je onverschilligheid en daarmee je mannelijkheid. Je bent de Clint Eastwood van de stedelijke prairie. Niemand kan jou iets maken. Als jij oraal wilt ejaculeren, dan doe je dat gewoon. De kwattende man loopt ook vaak wijdbeens. Alsof zijn bovenmaatse piemel hem richting spagaat drijft. Verschrikkelijk lijkt me dat, die masculiene onzekerheid.
Dat brengt me tot de volgende gedachte: onzekere mensen zijn vervelende mensen. Ze zoeken altijd iets dat de onzekerheid kan maskeren. Stabiele personen als u en ik moeten het dan ontgelden.
Tot zover de dieptepsychologie.
Uiteindelijk gaat het mij natuurlijk hier om: zit er poëzie in deze kwestie? Mijn antwoord is: ja. Er zit poëzie in, omdat je erover kunt schrijven. Het kwatten laat je namelijk gedachten ontwikkelen die ogenschijnlijk kant noch wal raken, maar erg leuk zijn om te hebben.

Open Dag

Gisteren was er Open Dag op het gymnasium waar ik werk. Die wordt georganiseerd om leerlingen van groep acht en hun ouders kennis te laten maken met de school. Dan kunnen ze straks bewust een keuze maken.
Het gymnasium heeft een grote aantrekkingskracht op bollebozen. Ik sta in een lokaal Nederlands, knik vriendelijk naar iedere bezoeker en voel me een autoverkoper. Er komt een jongetje van een jaar of elf naast me staan. Hij kijkt me indringend aan zonder iets te zeggen. Na een tijdje maakt hij toch geluid.
‘Dag,’ zegt hij, zeer nadrukkelijk.
‘Dag,’ zeg ik terug.
We zwijgen weer. Het jongetje blijft me vastberaden aankijken.
‘Wil je misschien iets vragen,’ probeer ik.
‘Nee,’ zegt hij. ‘Ik begin met elke leraar een gesprekje.’
Ik bekijk hem eens wat beter. Hij is blond, heeft een slag in zijn haar zoals je die ziet op films over studenten in de jaren vijftig, en bolle wangen. Zijn ogen priemen. Je kunt zien dat hij overal zo zijn eigen ideeën over heeft en dat hij de medemens, en dan vooral de leraren, beschouwt als interessante objecten.
‘O,’ antwoord ik, ‘en je vraagt dan zeker niks omdat je ons uit wilt testen. Om te kijken wat voor vlees je in de kuip hebt.’
‘U heeft mij door.’
Elk woord spreekt hij nadrukkelijk uit. Dan doet hij zijn mond weer op slot. Ik speel het spel mee en zwijg ook. Intussen probeer ik net zo interessant te kijken als hij. Na een halve minuut besluit hij de conversatie voort te zetten .
‘Die foto van het jaar vind ik erg interessant.’
‘Welke foto van het jaar?’
Hij wijst.
Er liggen tijdschriften op een tafel, om de ouders te laten zien dat wij onze leerlingen laten oefenen met actuele teksten.
‘Die van Maxima. Ze zat toen in die open bus. Bij die aanslag.’
We lopen naar de foto toe. Hij vormt de cover van een nummer van HP/De Tijd. Maxima en Alexander staan met hun hand voor de mond en zien hoe Karst T. zich tegen het monument te pletter rijdt.
‘Wat vind je zo bijzonder aan die foto?’ vraag ik
‘Maxima glimlacht niet. Anders glimlacht ze altijd. Zo zie je haar eens van een andere kant. Dat vind ik boeiend.’
‘O ja?’
‘Ik weet ook al hoe ik later rijk ga worden.’
‘En?’
‘Ik trouw één van de prinsesjes, niet de kroonprinses maar één van die andere.’
‘Ah,’ zeg ik. ‘Ja, dat is natuurlijk een manier. Maar waarom niet de kroonprinses?’
‘Teveel verplichtingen. Ik ga overigens niet aan belastingvlucht doen hoor, en ik koop ook geen villa’s in Afrika.’
‘Gelukkig maar.’
‘Geeft u woensdag een proefles?’
‘Ja zeker.’
‘Dan kom ik bij u in de proefles.’
‘Nou, misschien tot woensdag dan.’
‘Niet misschien,’ zegt hij. ‘Zeker.’
Ik heb hem niet meer gezien.

Het wit tussen de regels

Soms wordt een plek een gedicht. Ik wandel langs de Amstel. Zondagochtend. Er is weinig verkeer. De zon schijnt. Trimmers rennen in zich zelf verzonken langs de woonboten. De film van de stad wordt voor hun ogen afgespeeld onder de zelfgekozen muziek uit hun iPod. Het beeld is zo sereen dat het pijn doet aan de ogen.
Ik sta stil bij een bouwplaats. Vanochtend las ik in Het Parool dat hier nog geen 48 uur geleden een betonplaat op een bouwvakker (50) is gevallen. Hij was op slag dood. Ik kijk door het hek om te zien welke sporen deze gebeurtenis heeft achtergelaten. In eerste instantie zie ik niets. Ik lees de plek, maar begrijp hem niet. Er staat een hijskraan. Er is het skelet van een gebouw: een vierkant van grijze betonnen wanden. Dat is alles. Had deze plaats er anders uitgezien als het ongeluk niet was gebeurd? Ik zie geen bloemen, ik zie geen bloed.
Weer ben ik verbijsterd over het effect van de tijd. Het sterven van deze mens ging in een oogwenk. De rompslomp eromheen kostte misschien een paar uur: politie, ambulance, de verbijsterde collega’s die maar wat rond drentelden. Toen iedereen weg was, herstelde de plek zich meteen. Op deze zondagochtend lijkt het of er niks is gebeurd. Morgen kan er verder gebouwd worden.
Maar dan lees ik opnieuw. En opnieuw. Pas bij de derde of vierde lezing zie ik het: de bouwplaats is onnatuurlijk leeg. Voor het vierkant van grijs beton ligt een smetteloos schone vlakte van zand en grind. Ik zie geen verpakkingsmateriaal, geen brokje puin, geen spijker, geen achtergelaten gereedschap. Dit is het wit tussen de regels, waarin men alles heeft willen laten verdwijnen en dat daardoor het meest veelzeggend is. De gebeurtenis is zo grondig uitgegumd, dat zij weer zichtbaar wordt.
Er is onder dichters en poëziecritici altijd veel discussie over de plaats van de anekdote in de poëzie. De anekdote mag niet, of juist wel. Ook heeft men het graag over gelaagdheid, ontregeling, verstaanbaarheid. Op deze plek aan de Amstel komt alles samen. Er was de anekdote. Maar het verhaal is meteen weer geschrapt. Daardoor lijkt deze plek niets meer te zeggen, te zijn terug gekeerd in het banale. Tot iemand de moeite neemt om haar goed te lezen. Dan blijkt de bouwplaats welsprekend en gelaagd, ontregelend en toch verstaanbaar.
Maar wat als ik vanochtend Het Parool niet had gelezen, hoe was ik dan aan deze plek voorbijgegaan? En de familie van de bouwvakker, wat koopt die voor de dichtkunst?

Het nut van het nutteloze

In De kunst van het dichten (Amsterdam, 2009) schrijft Henk van der Waal over de opvattingen van de Franse dichter René Char. Als ik dit soort essays heb gelezen, weet ik nooit zeker of ik ze goed heb begrepen. Daarvoor zijn ze te abstract, en is hun taal te tastend. Eerlijk gezegd kan me dat ook niet zoveel schelen. In het opstel van Van der Waal worden in ieder geval gedachten verwoord die tot interessante misinterpretaties kunnen leiden. Dat wat je niet doorgrondt, kun je aanvullen met eigen ideeën, zodat in je hoofd toch uiteindelijk een coherent verhaal ontstaat. Misschien gaat het altijd wel zo: al lezende repareer je de gaten in de tekst die vallen door je eigen onbegrip. Zo gezien is lezen altijd herschrijven. Het volgende is een poging om met behulp van de tekst van Van der Waal mijn eigen positie te bepalen. Zo wordt lezen dus: naar je toe schrijven.

Van der Waal vindt dat ‘de poëzie (…) zich tevreden (moet) stellen met de plaats die ze toebedeeld heeft gekregen en haar politieke en morele ambities (moet) laten varen’. Hij zegt dat er verschillende waarheidsdomeinen bestaan, waarvan het poëtische er één is. Geen straatrumoer in de dichtkunst dus. Het waarheidsdomein van de dichter bevindt zich ‘in het oorspronkelijke’. Hier wordt de schrijver bijna mystiek: als ik het goed begrijp kom je volgens hem als dichter midden in het scheppingsproces terecht, het tijdperk voordat de dingen vast kwamen te liggen. Eigenlijk is er geen sprake van een waarheidsdomein, maar van een gebied dat aan de waarheid vooraf gaat, waarin het existentiële bezig is te ontstaan. Je begeeft je in het raadsel, of zoals Van der Waal het zegt: ‘in de ervaring van het oorspronkelijke’.

Een interessante gedachte. Eigenlijk gaat het hier over innerlijke ruimte, jenseits von Gut und Böse. Misschien kan via deze variant op het postmoderne denken (de waarheid bestaat niet, het einde van de grote verhalen) het oorspronkelijk magische weer terugkomen in de poëzie. In de magische handeling is het niet de oplossing, maar het raadsel dat ons verder helpt. Het uitspreken van een toverspreuk houdt de erkenning in dat er geen antwoorden zijn. Dat geeft rust. Dat voorkomt veel geroep van opiniemakers. Het snijdt de kletsmajoors en ijdeltuiten de pas af.

Zo gezien is het hermetische in de dichtkunst niets anders dan: de kunst om het raadsel intact te houden, het verwoorden van de existentiële spanning. Dat maakt de poëzie niet tot een in zich zelf besloten universum. In een tijd waarin de taal vooral lijkt te dienen om het ego op te kalefateren – via de praatprogramma’s op de televisie, in de politiek, op straat -, waarin waarheden steeds vaker uitgroeien tot enormiteiten en de massa zich niet meer laat verheffen maar de geestelijke bovenlaag zich juist laat vernederen, in zo’n tijd hebben we de poëzie hard nodig. Als een niche in de markt van het vrije denken. Als het onontbeerlijke marginale. Als een bewijs van het nut van het nutteloze.

Oudere berichten Nieuwere berichten

© 2018 Henry Sepers

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑