Henry Sepers

poëzie proza video

Categorie: Amsterdam

Straatpoëzie

Om op het hofje te komen waar ik woon, moet je eerst onder een huis door. Het poortje is door de gemeente opgeknapt en heeft witte en grijze muren. Soms schuilen er fietsers onder voor de regen, en als het niet regent heten de schuilers hangjongeren en laten zij een geur van hasj na. Als ik vanuit mijn raam naar ze kijk, lijkt het of ik een wajang schaduwspel zie, zo abstract zijn hun bewegingen, zo onpersoonlijk hun silhouetten, zo onbegrijpelijk hun symbolentaal.
Witte muren: ze zijn natuurlijk onuitstaanbaar leeg, roepen horror vacui op en moeten gevuld. De graffiti die van tijd tot tijd onder het poortje verschijnt zal de musea niet halen: namen, geslachtsdelen (meestal met een scrotum dat er bij hangt als een bolcactus), onbestemd gekras. Na een tijdje belt een oplettende buurtbewoner de gemeente en verdwijnen de fresco’s onder een nieuwe laag latex. Er is angst voor de leegte, maar er is nog meer angst voor anonymi die haar opvullen. Ook bij mij: hun verfsporen zijn als geurvlaggen. Zij dringen mijn territorium binnen met antwoorden die de mijne niet zijn.
Maar nu is er iets op de muur onder het poortje verschenen dat van mij mag blijven. Het is een klein Engelstalig zinnetje. Eigenlijk is het een dichtregel. Poëzie. Zomaar, van de ene op de andere dag stond het daar. Excuse me while I kiss the sky. Het lijkt met een soort stempel te zijn aangebracht. Wat betekent dit zinnetje? Van wie komt het? Waarom staat het hier?
Het mooie is: op deze vragen weet ik geen antwoord. Met dit regeltje probeert de dichter geen territorium van me af te pikken: hij geeft me juist ruimte. Zijn woorden suggereren iets, maar laten niets los. Ik vermoed een wereld maar kan die niet betreden. Hoe zal ik dit zinnetje vertalen? Neem mij niets kwalijk terwijl ik de lucht kus? Volgens het woordenboek kan while ook zo lang betekenen. Neem mij niets kwalijk zo lang ik de lucht kus? Of vertaal ik dat excuse me niet goed? Moet het zijn: als ik de lucht kus, moet ik mij verontschuldigen. Oftewel: dan kan ik niet met iets anders bezig zijn, dan ga ik daar zo in op, dat niemand mij met beuzelarijen lastig moet vallen.
Ik zie iemand voor me die zijn hoofd achterover gooit en zijn lippen tuit. Hij kust de lucht. Daar heeft hij zomaar zin in en de mensen die hij in de weg staat, moeten hem dat niet kwalijk nemen. Wel vreemd overigens dat dit zinnetje onder een poortje staat. Er had ook kunnen staan: excuse me while I kiss the ceiling. Maar dat vind ik een stuk minder mooi.

P.S. Tja, en later blijkt Excuse me while I kiss the sky gewoon een regel uit Purple Haze  van Jimi Hendrix.

 

Het wit tussen de regels

Soms wordt een plek een gedicht. Ik wandel langs de Amstel. Zondagochtend. Er is weinig verkeer. De zon schijnt. Trimmers rennen in zich zelf verzonken langs de woonboten. De film van de stad wordt voor hun ogen afgespeeld onder de zelfgekozen muziek uit hun iPod. Het beeld is zo sereen dat het pijn doet aan de ogen.
Ik sta stil bij een bouwplaats. Vanochtend las ik in Het Parool dat hier nog geen 48 uur geleden een betonplaat op een bouwvakker (50) is gevallen. Hij was op slag dood. Ik kijk door het hek om te zien welke sporen deze gebeurtenis heeft achtergelaten. In eerste instantie zie ik niets. Ik lees de plek, maar begrijp hem niet. Er staat een hijskraan. Er is het skelet van een gebouw: een vierkant van grijze betonnen wanden. Dat is alles. Had deze plaats er anders uitgezien als het ongeluk niet was gebeurd? Ik zie geen bloemen, ik zie geen bloed.
Weer ben ik verbijsterd over het effect van de tijd. Het sterven van deze mens ging in een oogwenk. De rompslomp eromheen kostte misschien een paar uur: politie, ambulance, de verbijsterde collega’s die maar wat rond drentelden. Toen iedereen weg was, herstelde de plek zich meteen. Op deze zondagochtend lijkt het of er niks is gebeurd. Morgen kan er verder gebouwd worden.
Maar dan lees ik opnieuw. En opnieuw. Pas bij de derde of vierde lezing zie ik het: de bouwplaats is onnatuurlijk leeg. Voor het vierkant van grijs beton ligt een smetteloos schone vlakte van zand en grind. Ik zie geen verpakkingsmateriaal, geen brokje puin, geen spijker, geen achtergelaten gereedschap. Dit is het wit tussen de regels, waarin men alles heeft willen laten verdwijnen en dat daardoor het meest veelzeggend is. De gebeurtenis is zo grondig uitgegumd, dat zij weer zichtbaar wordt.
Er is onder dichters en poëziecritici altijd veel discussie over de plaats van de anekdote in de poëzie. De anekdote mag niet, of juist wel. Ook heeft men het graag over gelaagdheid, ontregeling, verstaanbaarheid. Op deze plek aan de Amstel komt alles samen. Er was de anekdote. Maar het verhaal is meteen weer geschrapt. Daardoor lijkt deze plek niets meer te zeggen, te zijn terug gekeerd in het banale. Tot iemand de moeite neemt om haar goed te lezen. Dan blijkt de bouwplaats welsprekend en gelaagd, ontregelend en toch verstaanbaar.
Maar wat als ik vanochtend Het Parool niet had gelezen, hoe was ik dan aan deze plek voorbijgegaan? En de familie van de bouwvakker, wat koopt die voor de dichtkunst?

Bekende gezichten

Ik wandel graag door mijn buurt en kom dan veel bekende gezichten tegen. Ik ben geneigd tot een groet, maar weet me gelukkig meestal te beheersen. Juist op tijd besef ik dat ik de gezichten ken van televisie of uit de krant. Blijkbaar is mijn buurt de juiste habitat voor bekende Nederlanders. Je zult maar met zo’n fameuze kop over straat moeten.
Bijna elke week kom ik de oude politicus tegen. Hij schuifelt langs de Amstel in een blauwe overjas. Zijn gezicht zit op slot. Ooit kraakte hij harde noten over de multiculturele samenleving. Nu vraag ik me af: is hij zo eenzaam als hij eruit ziet? De gebogen houding. De angst voor oogcontact. Hij lijkt zich er sterk van bewust dat alles voorbij is. De kranige taal. De lof en de hoon. Ik zou hem vriendelijk willen toeknikken, hem willen uitnodigen voor een kop koffie. Maar hij is te bekend. Ooit verkeerde hij met de groten der aarde. Nu begint zijn gezicht steeds meer te lijken op dat van een doodvermoeide hond.
De schrijfster van feministische romans heeft een vriend. Ze zit vaak samen met hem op de stoep voor zijn galerie en heft het glas op weer een opening. Jaren geleden heb ik haar eens met veel misbaar van het boekenbal zien vertrekken. Het was in de tijd dat ze leed aan een vermoeidheidssyndroom dat haar lijf en gezicht uitwrong. Haar gedrag deed me toen denken aan dat van negentiende-eeuwse dames uit hogere kringen. Ze gaf haar ziekte graag een theatrale vorm. Maar nu lijkt het allemaal voorbij te zijn. Ze geniet van de avondzon. Ik wil beleefd mijn hoed voor haar afnemen, maar ik draag geen hoed.
De tattookoning blokkeert de stoep voor het café. Het is maar goed dat hij zo breed is en zo gezet. Des te meer plaats is er voor zijn in de huid geëtste iconen. Zijn lichaam is een museum. Of is het een staalkaart, een wandelend portfolio? Als ik om hem heen loop, is het of ik een beschilderde rots passeer. Painted Rock. Als hij een indiaan was geweest, had hij Painted Rock geheten.
De acteur uit het satirische tv-programma is zich het meest bewust van zijn roem. Elke ochtend brengt hij een laag grimmigheid aan op zijn gezicht, als betreft het de grime voor een voorstelling. Hij meet zich het uiterlijk aan van een rauwe Amsterdamse volksjongen. Zijn hond is buitenmaats. Die moet hem beschermen tegen mensen die iets naar hem roepen. Of die hem met een olijke kop goedesmorgens toewensen. Ik weet zeker dat hij mij herkent als iemand uit de buurt. Daarom heb ik weleens geprobeerd hem te groeten. Maar al bij de aanzet tot een blik van herkenning draaide hij bruusk zijn hoofd weg. Hij had duidelijk geen zin in zijn roem en wist niet dat ik hem alleen maar als buurman gedag wilde zeggen.
Op mijn wandeling door de buurt kom ik vaak bekende Nederlanders tegen. Als ik hen passeer, doe ik net of ze toevallige voorbijgangers zijn. Ik heb met ze te doen, want ze trekken zo de aandacht.

Hofje van Eden

Wij wonen in een witte enclave middenin Amsterdam. Ons houten nieuwbouwhuis ligt samen met twaalf andere woningen aan een verkeersvrij hofje vlakbij de Amstel. Bij mooi weer gaan wij, net als veel buren, na het werk op een bankje voor het huis zitten en drinken een glas wijn. De hofjeskinderen rijden langs op fietsjes, of tekenen met stoepkrijt grote draken op straat. Het leven speelt zich bij ons af zoals God en zijn stedenbouwkundigen het hebben bedoeld. We zijn allemaal hoog opgeleid, hebben goede banen, en de gevaren komen uit sprookjes.
Natuurlijk lopen er wel eens vreemden op het hofje. Visite. De postbode. Buurtregisseur Desirée, die de hoeken en gaten van ons paradijs afspeurt naar onheil. Een allochtone mevrouw die in één van de huizen komt schoonmaken. Maar zij verstoren het evenwicht niet, zij bevestigen het juist.
De laatste maand zijn er echter tekenen van onrust. In een pad achter de huizen is een menselijke drol gevonden. Een buurvrouw heeft nog overwogen het hoopje op de foto te zetten als bewijs voor de aanwezigheid van onguur volk. Op een ochtend werd ik wakker en rook onmiskenbaar een hasjlucht: beneden op ons bankje zat iemand een joint te roken. En onder het toegangspoortje naar het hofje wordt wild geplast.
Laatst zaten wij weer met z’n allen voor onze huizen. De zon scheen, het was prachtig voorjaarsweer. De kinderen speelden en voerden op overzichtelijke wijze oorlog. Onder het poortje stonden vier pubers, zo te zien van Marokkaanse of Turkse komaf. Twee jongens. Twee meisjes met hoofddoekjes. We hielden ons hart vast. Hangjeugd! En ze bleven niet onder het poortje staan, ze rukten langzaam op naar het pleintje.
We deden net of we niks zagen. We zijn beschaafd en tolerant. Wij dronken van onze wijn, aten een olijfje, besmeerden een stukje stokbrood met pesto. De vreemde jongens en meisjes bezetten een deel van het pleintje. Uit een mobiele telefoon klonk onmiskenbaar Arabische muziek. We converseerden met elkaar met schuine ogen. De jongeren praatten opgewonden.
Toen gingen twee van hen om de hoek staan. Ik kon ze nog net zien. Ze zoenden. De jongen streelde het hoofddoekje van het meisje. De achterblijvers keken verveeld om zich heen. Soms riepen ze naar de twee. Even later wisselden de paartjes van plaats.
‘Ze zijn hier, omdat niemand van ons ze zal verklikken,’ zei een buurvrouw. ‘In de Transvaalbuurt is dit streng verboden. Wij laten ze met rust.’
We knikten. Namen nog een slok wijn in ons hofje van Eden.

© 2017 Henry Sepers

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑